Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS2168

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-01-2005
Datum publicatie
12-01-2005
Zaaknummer
200401960/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWO:2004:AO4339
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 maart 2003 heeft de gemeenteraad van Zwolle (hierna: de gemeenteraad), het inleidend verzoek tot het houden van een referendum over het concept-raadsbesluit tot ontwikkeling van het multifunctioneel complex aan de Oosterenk voor FC Zwolle afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2005/65

Uitspraak

200401960/1.

Datum uitspraak: 12 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 13 februari 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

de gemeenteraad van Zwolle.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2003 heeft de gemeenteraad van Zwolle (hierna: de gemeenteraad), het inleidend verzoek tot het houden van een referendum over het concept-raadsbesluit tot ontwikkeling van het multifunctioneel complex aan de Oosterenk voor FC Zwolle afgewezen.

Bij besluit van 6 oktober 2003 heeft de gemeenteraad het daartegen door onder meer appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, conform het advies van de adviescommissie bezwaarschriften.

Bij uitspraak van 13 februari 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 april 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 22 juni 2004 heeft de gemeenteraad van antwoord gediend.

Bij faxbericht van 15 september en 16 september 2004 heeft appellant nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in kopie aan de andere partij toegezonden.

Bij brief van 27 september 2004 heeft de gemeenteraad nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in kopie aan de andere partij toegezonden.

Bij brief van 8 oktober 2004 heeft appellant een nadere memorie ingediend. Deze memorie is in kopie aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2004, waar appellanten in persoon, en de gemeenteraad, vertegenwoordigd door mr. R.S. Wertheim, advocaat te Zwolle, mr. W.A. Visser en drs. P. Rhebergen, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen. Tevens waren aanwezig de vereniging "Be Quick ’28", vertegenwoordigd door A.L. Veneman, Stadion Ontwikkeling Zwolle b.v., vertegenwoordigd door L.J. Regtenschot en de vereniging "F.C. Zwolle", vertegenwoordigd door R. van Vliet.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Referendumverordening Zwolle 1997 (hierna: de Zwolse referendumverordening) kan de gemeenteraad besluiten een referendum te houden over een raadsbesluit.

   Ingevolge het tweede lid, sub l, van dat artikel, kan geen referendum worden gehouden over besluiten waarvan de gemeenteraad van mening is dat er andere dan de in artikel 2, tweede lid, genoemde dringende redenen zijn om geen referendum te houden.

2.2.    Appellanten betogen allereerst dat de rechtbank – naar uit de aangevallen uitspraak volgt – ten onrechte van oordeel is dat de gemeenteraad op grond van artikel 2, tweede lid, sub l, van de Zwolse referendumverordening de ruimte heeft om in ieder afzonderlijk geval opnieuw te bezien of sprake is van dringende redenen om geen referendum te houden.

2.2.1.    Dit betoog faalt reeds gelet op de duidelijke en niet voor meerdere uitleg vatbare bewoordingen van artikel 2 van de Zwolse referendumverordening. Daarin wordt de gemeenteraad terzake van het al dan niet houden van een referendum een discretionaire bevoegdheid toegekend. De toelichting op artikel 2, tweede lid, aanhef en onder l, van de Zwolse referendumverordening dient in dit licht te worden bezien en heeft niet de betekenis die appellanten daaraan gehecht willen zien. De door appellanten genoemde uitspraak van de Afdeling van 24 december 2002, in zaak no. 200204525/1, noopt reeds niet tot een andere conclusie, aangezien daarin een andere verordening aan de orde was, die – anders dan de Zwolse referendumverordening – als uitgangspunt heeft dat over alle beslissingen van de gemeenteraad desgevraagd een referendum moet worden gehouden, tenzij de beslissing tot een categorie behoort die op grond van de verordening geen onderwerp van een referendum kan zijn.

2.3.    Voorts betogen appellanten – samengevat weergegeven – dat de rechtbank heeft miskend dat de nadelige gevolgen van het bestreden besluit onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee gediende belangen en mitsdien ten onrechte heeft overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de gemeenteraad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van dringende redenen in de zin van artikel 2, tweede lid, aanhef en sub l, van de Zwolse referendumverordening. Daartoe voeren zij onder meer aan dat de gemeenteraad in de beslissing op bezwaar niet is ingegaan op de ontwikkelingen die hebben plaatsgehad na 17 maart 2003. Deze ontwikkelingen hebben tot gevolg dat de dringende redenen om geen referendum te houden zich niet langer voordoen, aldus appellanten.

2.3.1.    In het besluit van 17 maart 2003 heeft de gemeenteraad zich op het standpunt gesteld dat uitstel van het raadsbesluit tot de ontwikkeling van het multifunctioneel complex aan de Oosterenk voor de vereniging  "FC Zwolle" (hierna: FC Zwolle) op korte termijn nadelige gevolgen met zich brengt voor de aanvraag voor de KNVB-licentie en dientengevolge voor de gehele organisatie van FC Zwolle. Uit de stukken blijkt dat de gemeenteraad dit standpunt heeft gebaseerd op een brief van 17 maart 2003 van FC Zwolle, waarin wordt aangegeven dat indien een referendum zal worden gehouden de onderneming Flash Casino, gevestigd in Zwolle, geen hoofdsponsor zal willen worden en mitsdien de licentie voor het seizoen 2003-2004 in gevaar komt.

   Uit de brief van 21 januari 2004 van FC Zwolle aan de rechtbank blijkt dat zich sedert de beslissing van 17 maart 2003 maar voordat de beslissing op bezwaar werd genomen, een aantal ontwikkelingen heeft voorgedaan. Zo heeft de KNVB op basis van de toezegging van Flash Casino besloten een licentie voor het seizoen 2003-2004 te verlenen en heeft Flash Casino, ondanks het besluit van de gemeenteraad om geen referendum te houden, alsnog besloten voorlopig geen hoofdsponsor te worden en is het bedrijf Falabella inmiddels hoofdsponsor.

2.3.2.    In de beslissing op bezwaar stelt de gemeenteraad zich op het standpunt dat verder uitstel van het voormelde raadsbesluit tot onaanvaardbare situaties leidt. Daartoe wordt overwogen dat Be Quick ‘28 over een accommodatie beschikt, waarvan het gebruik gelet op de hygiëne niet langer verantwoord is en de bouw van het stadioncomplex van groot belang is voor de financiële en economische positie van FC Zwolle. Van een nieuw stadion gaat immers een grote financiële impuls uit door het aantrekken van zogenoemde "founders", sponsoren en een grotere afname van "businessseats" met alle positieve gevolgen voor de financiële positie van dien. Verder uitstel kan er voorts toe leiden dat de totale ontwikkeling door commerciële partijen als niet langer economisch haalbaar wordt gekwalificeerd, aldus de gemeenteraad.

2.3.3.    Appellanten betogen terecht dat de gemeenteraad in de beslissing op bezwaar niet uitdrukkelijk ingaat op de voormelde ontwikkelingen die hebben plaatsgehad na 17 maart 2003. In zoverre is dit besluit dan ook onvoldoende gemotiveerd en derhalve in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) genomen. Uit de overige stukken blijkt echter dat de gemeenteraad deze ontwikkelingen wel bij haar oordeel heeft betrokken, maar, gelet op de ook in de beslissing op bezwaar vermelde dringende redenen, desalniettemin geen aanleiding heeft gezien een andersluidend besluit te nemen. Dat appellanten door het achterwege laten van dit onderdeel van de motivering in hun belangen zijn geschaad, is niet gebleken. Nu de rechtbank dit formele motiveringsgebrek derhalve met toepassing van artikel 6:22 van de Awb had kunnen passeren, bestaat voor vernietiging van de aangevallen uitspraak op deze grond geen aanleiding.

2.3.4.    Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank, mede in het licht van hetgeen in rechtsoverweging 2.2.1. is overwogen, terecht overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de gemeenteraad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder l, van de Zwolse Referendumverordening.

2.4.    Hetgeen appellanten overigens hebben aangevoerd leidt – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – niet tot een ander oordeel.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop zij rust, te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Meer    w.g. Van Loon

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2005

284-435.