Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS2165

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-01-2005
Datum publicatie
12-01-2005
Zaaknummer
200408946/1 en 200408946/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Grave (hierna: het college) voorzover hier van belang gelast om binnen twee maanden na verzending van dit besluit - de op het perceel [locatie] te [plaats] aanwezige tweede burgerwoning terug te brengen naar de vergunde situatie (hobby/opslagruimte), onder oplegging van een dwangsom van € 1.125,-- per maand, met een maximum van  € 11.250,--; - de zonder bouwvergunning gebouwde overkapping in zijn geheel te verwijderen en verwijderd te houden en terug te brengen naar de vergunde situatie (pergola/rozenwand) onder oplegging van een dwangsom van €  2.025,-- met een maximum van  € 20.250,--;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200408946/1 en 200408946/2.

Datum uitspraak: 6 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 23 september 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Grave.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Grave (hierna: het college) voorzover hier van belang gelast om binnen twee maanden na verzending van dit besluit - de op het perceel [locatie] te [plaats] aanwezige tweede burgerwoning terug te brengen naar de vergunde situatie (hobby/opslagruimte), onder oplegging van een dwangsom van € 1.125,-- per maand, met een maximum van  € 11.250,--; - de zonder bouwvergunning gebouwde overkapping in zijn geheel te verwijderen en verwijderd te houden en terug te brengen naar de vergunde situatie (pergola/rozenwand) onder oplegging van een dwangsom van €  2.025,-- met een maximum van  € 20.250,--;

Bij afzonderlijke besluiten van 6 augustus 2003 heeft het college de bezwaren van appellanten ongegrond verklaard en het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom onverkort gehandhaafd.

Bij afzonderlijke besluiten van 13 augustus 2003 heeft het college het besluit van 7 april 2003 herroepen in dier voege dat appellanten er ook voor kunnen kiezen de betrokken woning te verwijderen en verwijderd te houden.  

Bij uitspraak van 23 september 2004, verzonden op 4 oktober 2004, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 2 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 3 november 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 november 2004. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 30 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2004, hebben appellanten de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 13 december 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2004, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. H.B.J. Reijnders , advocaat te Weert, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.C.H. Schrömbges, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

2.1.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.2.    Het hoger beroep ziet op een tweede woning en een overkapping op het perceel [locatie]. In de eerste plaats moet de vraag worden beantwoord, of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college kon verlangen de tot tweede woning verbouwde schuur op het terrein van appellanten terug te brengen tot de vergunde situatie, dan wel de woning af te breken.

2.3.     Niet in geschil is, dat met de verbouw van de schuur tot woning is gehandeld in strijd met de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1998", zodat het college terzake handhavend kon optreden.

2.4.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld, dat van bijzondere omstandigheden geen sprake is. Door appellanten is weliswaar aangevoerd, dat het nooit in de bedoeling heeft gelegen ter plaatse een tweede woning te realiseren, maar een zorgpunt voor de (schoon)ouders, maar dat neemt niet weg, dat naar objectieve maatstaven moet worden gesproken van een tweede woning. Hetgeen appellanten naar voren hebben gebracht kan niet leiden tot de conclusie dat concreet zicht op legalisatie bestaat. De door appellanten geschetste richting, waarin de mantelzorg zich zou kunnen ontwikkelen, noch de mogelijkheid, dat op percelen in het buitengebied van de gemeente  een woonbestemming zou kunnen worden gelegd, leiden tot die conclusie. Ook is niet gebleken van andere bijzondere omstandigheden of zodanig zwaarwegende belangen dat in dit geval van handhavend optreden behoorde te worden afgezien.

2.5.    Ten aanzien van de overkapping moet met de rechtbank worden geoordeeld, dat een bouwvergunning is vereist. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat van de zijde van het college rechtens te honoreren uitlatingen zouden zijn gedaan met de strekking, dat een bouwvergunning zou worden verleend. De overkapping kan ook niet worden gelegaliseerd. De rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen, dat er geen reden is op grond waarvan het college van handhaving behoorde af te zien.

2.6.    De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.    

2.8.    Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de uitspraak voorzover aangevallen;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens    w.g. Schortinghuis

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2005

66.