Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS2162

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-01-2005
Datum publicatie
12-01-2005
Zaaknummer
200404143/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 18 november 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sluis (hierna: het college) besloten om met onmiddellijke ingang over te gaan tot toepassing van bestuursdwang door de stallen op de percelen [locaties] te [plaats] (hierna: de percelen) zodanig te verzegelen dat de stallen niet meer kunnen worden gebruikt totdat de stallen alsnog voldoen aan de voorgeschreven eisen van brandcompartimentering.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:24
Algemene wet bestuursrecht 8:41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2005/68 met annotatie van C.L.G.F.H. A
M en R 2005, 23K
Gst. 2005, 87
Module Vastgoed en wonen 2005/318

Uitspraak

200404143/1.

Datum uitspraak: 12 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 8 april 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Sluis.

1.    Procesverloop

Bij besluiten van 18 november 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sluis (hierna: het college) besloten om met onmiddellijke ingang over te gaan tot toepassing van bestuursdwang door de stallen op de percelen [locaties] te [plaats] (hierna: de percelen) zodanig te verzegelen dat de stallen niet meer kunnen worden gebruikt totdat de stallen alsnog voldoen aan de voorgeschreven eisen van brandcompartimentering.

Bij besluiten van 9 juli 2003 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 april 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 18 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 juni 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 juli 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2004, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en [directeur], en het college, vertegenwoordigd door mr. C.J. IJdema, advocaat te Middelburg, en M.L. Pauw, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 25 oktober 1994 zijn aan appellanten bouwvergunningen verleend voor het oprichten van vleesvarkensstallen op de betrokken percelen.

2.2.    Niet in geschil is dat appellanten de stallen op de percelen niet hebben opgericht overeenkomstig de aan de bouwvergunning verbonden voorschriften, omdat onder andere de brandcompartimentering niet op de voorgeschreven wijze is aangebracht.

2.3.    Ingevolge artikel 4.14 van de gemeentelijke bouwverordening is het na de bouw van een bouwwerk, waarvoor bouwvergunning is verleend, verboden dit bouwwerk in gebruik te geven of te nemen indien één van de volgende omstandigheden zich voordoet:

a. (…);

b. er is niet gebouwd overeenkomstig de bouwvergunning.

   Ingevolge artikel 11.2 van de bouwverordening kunnen burgemeester en wethouders, indien het bouwtoezicht constateert, dat in afwijking van het bepaalde in artikel 4.14 het bouwwerk in gebruik is genomen, de eigenaar of degene, die het in zijn macht heeft aan de verboden toestand een einde te maken, aanschrijven tot het staken van het gebruik of tot het alsnog voldoen aan alle voorwaarden van de bouwvergunning.

2.4.    Niet in geschil is dat is gehandeld in strijd met artikel 4.14 van de gemeentelijke bouwverordening.

   Ten tijde van de beslissing tot toepassing van bestuursdwang en de tenuitvoerlegging daarvan was het gebruik van de bouwwerken wegens de MPA-affaire gestaakt. Met dat besluit is echter beoogd hervatting van het gebruik en derhalve herhaling van de overtreding van artikel 4.14 van de bouwverordening te voorkomen. Het besluit betreft dan ook een preventieve bestuursdwangaanschrijving. Een dergelijke aanschrijving is mogelijk bij klaarblijkelijk gevaar van een op korte termijn te verwachten overtreding van een concreet bij of krachtens de wet gesteld voorschrift. Voldoende aannemelijk is dat daar sprake van is, gelet op de omstandigheid dat appellanten geen gevolg hebben gegeven aan de hen bij besluiten van 7 november 1997 opgelegde lasten de bouwwerken in overeenstemming met de daarvoor bij besluiten van 25 oktober 1994 verleende bouwvergunningen te brengen en de omstandigheid dat het gebruik ten tijde van de beslissing tot toepassing van bestuursdwang enkel was gestaakt vanwege de MPA-affaire en niet in geschil is dat appellanten beoogden het gebruik te hervatten na afloop van die affaire.

   Het college kon derhalve, gelet op artikel 11.2 van de gemeentelijke bouwverordening, handhavend optreden.

2.5.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich bij een aanschrijving als hier in geding voordoen indien handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6.    Van bijzondere omstandigheden als vorenbedoeld, is niet gebleken. Voorts is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat niet staande kan worden gehouden dat de keuze voor de aanschrijving om het gebruik te staken onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Daarbij wijst de Afdeling erop dat appellanten geen gevolg hebben gegeven aan eerder opgelegde lasten onder dwangsom de bouwwerken in overeenstemming te brengen met de daarvoor verleende bouwvergunningen van 25 oktober 1994. De door appellanten gestelde omstandigheid dat zij niet aan de aan de bouwvergunningen verbonden voorwaarde ten aanzien van het aanbrengen van brandcompartimentering kunnen voldoen in verband met ventilatieproblemen, maakt dat niet anders, nu de bouwvergunningen, waaraan die voorwaarde is verbonden, onherroepelijk zijn. Het staat appellanten vrij om een bouwaanvraag in te dienen met het doel om op andere wijze te voldoen aan de brandveiligheidseisen voor stallen als hier in geding.

2.7.    Omdat de aanschrijving slechts is gericht op een nalaten van appellanten, behoefde, anders dan appellanten betogen, geen begunstigingstermijn te worden gesteld. De in het besluit omschreven maatregelen betreffen geen maatregelen als bedoeld in artikel 5:24, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het betoog dat deze maatregelen niet duidelijk in de beslissing tot toepassing van bestuursdwang zijn omschreven, faalt derhalve.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9.    Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte zes maal griffierecht heeft geheven nu zij slechts één beroepschrift hebben ingediend.

   Dit betoog slaagt. De zes beslissingen tot toepassing van bestuursdwang zien op drie afzonderlijke percelen. Ten aanzien van elk van deze percelen zijn twee besluiten in primo en één beslissing op bezwaar genomen. Er was derhalve slechts sprake van drie besluiten, waartegen een beroepschrift kon worden ingediend. Anders dan het college betoogt, betreffen deze drie besluiten geen samenhangende besluiten als bedoeld in artikel 8:41, eerste lid, van de Awb. Hoewel appellanten één beroepschrift hebben ingediend was derhalve driemaal griffierecht verschuldigd.

Hieruit volgt dat de griffier van de rechtbank driemaal ten onrechte griffierecht heeft geheven.

   De Afdeling gaat er vanuit dat dit griffierecht door de rechtbank wordt teruggestort.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Duursma

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2005

378.