Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS2160

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-01-2005
Datum publicatie
12-01-2005
Zaaknummer
200403861/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij beslissing van 3 maart 2003 heeft de opleidingsdirecteur van het Molengraaff Instituut voor Privaatrecht van de Universiteit van Utrecht (hierna: de opleidingsdirecteur) aan appellant, naar aanleiding van een verzoek om vrijstelling, geen vrijstelling verleend voor de onderdelen Procesrecht 1 en/of Procesrecht 2, zoals die deel uitmaken van het cursusprogramma van de opleiding tot kandidaat-gerechtsdeurwaarder, en mitsdien ook geen getuigschrift "kandidaat-gerechtsdeurwaarder" verleend.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:1
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 8:4
Besluit opleiding en stage kandidaat-gerechtsdeurwaarder
Besluit opleiding en stage kandidaat-gerechtsdeurwaarder 1
Besluit opleiding en stage kandidaat-gerechtsdeurwaarder 8
Besluit opleiding en stage kandidaat-gerechtsdeurwaarder 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2005/67
AB 2005, 227

Uitspraak

200403861/1.

Datum uitspraak: 12 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 29 maart 2004 in het geding tussen:

appellant

en

Commissie opleiding kandidaat-gerechtsdeurwaarders.

1.    Procesverloop

Bij beslissing van 3 maart 2003 heeft de opleidingsdirecteur van het Molengraaff Instituut voor Privaatrecht van de Universiteit van Utrecht (hierna: de opleidingsdirecteur) aan appellant, naar aanleiding van een verzoek om vrijstelling, geen vrijstelling verleend voor de onderdelen Procesrecht 1 en/of Procesrecht 2, zoals die deel uitmaken van het cursusprogramma van de opleiding tot kandidaat-gerechtsdeurwaarder, en mitsdien ook geen getuigschrift "kandidaat-gerechtsdeurwaarder" verleend.

Bij brief van 13 maart 2003 heeft de opleidingsdirecteur desgevraagd aangegeven zijn weigering om vrijstelling te verlenen te handhaven.

Bij beslissing van 17 juli 2003 heeft de voorzitter van de commissie opleiding kandidaat-gerechtsdeurwaarders (hierna: de voorzitter) het door appellant bij brief van 31 maart 2003 ingestelde beroep verworpen.

Bij uitspraak van 29 maart 2004, verzonden op 31 maart 2004, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) zich onbevoegd verklaard van het daartegen door appellant ingestelde beroep kennis te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 3 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 18 juni 2004 heeft de commissie opleiding kandidaat-gerechtsdeurwaarders (hierna: de commissie opleiding) van antwoord gediend.

Bij brieven van 17 augustus en 7 september 2004 heeft appellant nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2004, waar de commissie opleiding, vertegenwoordigd door [voorzitter], is verschenen. Appellant was - met bericht - niet aanwezig.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van het op artikel 25 van de Gerechtsdeurwaarderswet gebaseerde Besluit opleiding en stage kandidaat-gerechtsdeurwaarder (Stb. 2001, 326, hierna: het Besluit) wordt onder cursist verstaan de persoon die de opleiding volgt of wil volgen.

   Ingevolge artikel 2, eerste en tweede lid, van het Besluit, voorzover hier van belang, is er een commissie opleiding die bestaat uit vijf leden onder wie een voorzitter, welke leden door de Minister van Justitie worden benoemd.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit heeft de commissie opleiding tot taak beroepschriften van cursisten te behandelen tegen beslissingen van de opleider omtrent hun toelating tot de opleiding en de beoordeling van hun kennen en kunnen.

   Ingevolge artikel 8 van het Besluit kan de opleider voor bepaalde onderdelen van de opleiding en de beoordeling daarvan vrijstelling verlenen, indien de cursist aantoonbaar beschikt over kennis die gelijkwaardig is aan de kennis die in het betreffende onderdeel wordt verkregen.

   Ingevolge artikel 10 van het Besluit kan een cursist tegen een beslissing omtrent zijn toelating tot de opleiding of de beoordeling van zijn kennen en kunnen, binnen zes weken nadat de beslissing is bekendgemaakt, beroep instellen bij de commissie opleiding.

2.2.    De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard van het beroep van appellant kennis te nemen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de commissie opleiding naar haar oordeel geen bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), zodat de beslissing van 17 juli 2003 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en hiertegen derhalve geen beroep ingevolge artikel 8:1 van de Awb bij de rechtbank kon worden ingesteld.

2.3.    Appellant, die op grond van artikel 1, aanhef en onder e, van het Besluit als cursist beschouwd dient te worden, heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de commissie opleiding geen bestuursorgaan in de zin van de Awb is.

2.4.    Een beslissing omtrent het al dan niet toelaten van een cursist tot de opleiding tot kandidaat-gerechtsdeurwaarder of omtrent de beoordeling van diens kennen en kunnen als bedoeld in het Besluit dient te worden beschouwd als het uitoefenen van openbaar gezag. Immers, het niet toelaten tot de opleiding of een negatieve beoordeling van het kennen en kunnen leidt ertoe dat de cursist niet aan de aan het openbaar ambt van (kandidaat-)gerechtsdeurwaarder gestelde wettelijke benoemingsvereisten kan voldoen. De commissie opleiding is in zoverre bekleed met openbaar gezag en een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. De beslissing van 17 juli 2003 is genomen in het kader van administratief beroep en is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen ingevolge het eerste lid van artikel 8:1 van de Awb beroep bij de bestuursrechter mogelijk is.

2.5.    In het besluit van 17 juli 2003 is getoetst of het besluit van de opleidingsdirecteur van 3 maart 2003 op juiste gronden is genomen.

De opleidingsdirecteur heeft beoordeeld of de door appellant gevolgde cursussen en opleidingen als voldoende gelijkwaardig aan de onderdelen Procesrecht 1 en/of Procesrecht 2 van de opleiding tot kandidaat-gerechtsdeurwaarder kunnen worden aangemerkt, met inachtneming van het opleidingsplan en het daarin opgenomen reglement met de voorwaarden voor de verlening van vrijstellingen. Daarbij zijn de verschillende cursussen en opleidingen inhoudelijk vergeleken en heeft aldus een beoordeling plaatsgevonden van de kennis die nodig is voor het verlenen van vrijstelling. Het betreft daarmee het beoordelen van iemands kennen en kunnen als bedoeld in artikel 10 van het Besluit en in artikel 8:4, aanhef en onder e, van de Awb. Op grond van laatstgenoemd artikelonderdeel kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld tegen besluiten, inhoudende een beoordeling van het kennen en kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor die examinering of toetsing. Deze bepaling staat eraan in de weg, dat door het instellen van beroep tegen een in administratief beroep genomen beslissing van een bestuursorgaan een oordeel van de bestuursrechter wordt verkregen omtrent kennen en kunnen als zodanig. Dit betekent evenwel niet dat terzake in het geheel geen beroep bij de bestuursrechter mogelijk is, maar dat de omvang en aard van diens toetsing beperkt is zodat - in het onderhavige geval - door de bestuursrechter slechts kan worden beoordeeld of met betrekking tot de besluitvorming aan de formele voorschriften die bij of krachtens de Awb, de Deurwaarderswet of enige andere wet in formele zin zijn gesteld, is voldaan.

2.6.    Uit het vorenoverwogene volgt dat de rechtbank zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

2.7.    De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 45 van de Wet op de Raad van State de zaak zonder terugwijzing af te doen, nu, gelet op de stukken en met inachtneming van het hiervoor weergegeven beperkte rechterlijke toetsingskader, geen grond is voor het oordeel dat de voorzitter zich bij het besluit van 17 juli 2003 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de opleidingsdirecteur het verzoek van appellant terecht heeft afgewezen. Het beroep van appellant bij de rechtbank dient alsnog ongegrond te worden verklaard.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 29 maart 2004, reg.nr. Awb 03-1477;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV.    gelast dat de commissie opleiding kandidaat-gerechtsdeurwaarders aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 205,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Dallinga

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2005

18-420.