Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS2152

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-01-2005
Datum publicatie
12-01-2005
Zaaknummer
200402167/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juni 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Soest (hierna: het college) aan Petrust B.V. (hierna: Petrust), onder verlening van vrijstelling, bouwvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfsgebouw met parkeergarage op het perceel Postweg 38 te Soesterberg (hierna ook: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200402167/1.

Datum uitspraak: 12 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 31 december 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Soest.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Soest (hierna: het college) aan Petrust B.V. (hierna: Petrust), onder verlening van vrijstelling, bouwvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfsgebouw met parkeergarage op het perceel Postweg 38 te Soesterberg (hierna ook: het perceel).

Bij besluit van 1 oktober 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard wat betreft een voorschrift inzake erfdienstbaarheid en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 december 2003, verzonden op 3 februari 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 10 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 15 maart 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 19 mei 2004 heeft het college van antwoord gediend. Bij brief van 18 mei 2004 heeft Petrust een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. K.C.P. Haagen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar namens Petrust B.V. gehoord C.G.W. Uyland, directeur, bijgestaan door mr. B. Brokkaar, advocaat te Amsterdam.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college ten onrechte vrijstelling en bouwvergunning heeft verleend voor de bouw van het bedrijfsgebouw. Volgens hem is het gebouw te hoog en te massaal voor de omgeving en moet worden gevreesd voor (verkeers)overlast en een tekort aan parkeerplaatsen.

2.1.1.    Ingevolge artikel 5, derde lid, onder c, van de voorschriften van het bestemmingsplan “Soesterberg-Noord 1995”, mag op het perceel bebouwing met een maximumhoogte van 8 meter worden opgericht.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, onder c, voorzover hier van belang, kan vrijstelling worden verleend van overschrijding van de hoogte van gebouwen met niet meer dan 10%. Onder verlening van deze vrijstelling wordt met de vergunning voorzien in de bebouwing tot een hoogte van 8,80 meter.

   Met de voorzieningenrechter is de Afdeling van oordeel dat de door appellant gevreesde overlast voornamelijk voortvloeit uit de ingevolge het bestemmingsplan toegelaten bouw- en gebruiksmogelijkheden van het perceel. Niet is aannemelijk geworden dat de met de vrijstelling toegelaten verruiming van de maximale bouwhoogte van wezenlijke betekenis is voor eventuele (verkeers)overlast en de behoefte aan parkeerplaatsen.

2.1.2.    Voorts kan appellant niet worden gevolgd in zijn betoog dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college het profiel van de Amersfoortsestraat ten onrechte heeft betrokken bij de beoordeling van de stedenbouwkundige inpassing van het bedrijfsgebouw. Vast staat dat het bedrijfsgebouw op de hoek Amersfoortsestraat/Postweg is voorzien, zodat niet kan worden geoordeeld dat het college het profiel van de Amersfoortsestraat ten onrechte bij zijn afweging heeft betrokken. De omstandigheid dat appellant een strook onbebouwde grond in eigendom heeft die ligt tussen de voorziene bebouwing en de Amersfoortsestraat leidt niet tot een ander oordeel. Voorts blijkt uit het primaire besluit van 6 juni 2003 dat het college zich – los van de in dat besluit bedoelde visie waarin hogere bebouwing aan de Amersfoortsestraat passend wordt geacht vanwege het brede profiel van die straat – op het standpunt heeft gesteld dat de toegelaten bouwhoogte, vanwege de geringe afwijking van de zonder vrijstelling toegelaten bouwhoogte, in de omgeving past. Er is geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

   Dat, zoals appellant naar voren heeft gebracht, op de bouwtekeningen het adres Amersfoortsestraat 11a is vermeld, is naar het oordeel van de Afdeling niet relevant voor de door het college gemaakte beoordeling van de stedenbouwkundige inpassing van het bouwplan. Zowel de aanvraag als het primaire besluit betreffen de verlening van een vergunning voor het perceel Postweg 38, zodat over de plaats van het voorziene gebouw geen misverstand heeft kunnen bestaan.

2.2.    Het betoog van appellant dat de bouwvergunning, vanwege een verminderde toetreding van daglicht tot zijn bedrijfspand, in strijd met artikel 2.5.1. van de bouwverordening is verleend, faalt. Ingevolge dit artikel, zoals dat destijds luidde, geldt bij ontheffing van in de bouwverordening opgenomen voorschriften van stedenbouwkundige aard, onder meer dat een bouwwerk niet zodanige afmetingen of een zodanige ligging mag verkrijgen, dat tot een ander bouwwerk niet meer voldoende licht en lucht zouden kunnen toetreden. Bij het bestreden besluit is geen ontheffing van de bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard verleend.

   In aanmerking genomen dat de voor het bouwplan toegelaten bouwhoogte in beperkte mate afwijkt van de hoogte die op grond van het bestemmingsplan zonder vrijstelling is toegestaan, is de voorzieningenrechter terecht tot de slotsom gekomen dat het college in de bezwaren betreffende daglichttoetreding in redelijkheid geen aanleiding behoefde te zien de toepassing van vrijstellingsbevoegdheid achterwege te laten.

   Daarnaast treft het betoog van appellant dat het college, gelet op de brandveiligheid, ten onrechte vergunning heeft verleend voor bebouwing op korte afstand van zijn garagebedrijf, geen doel. Gesteld noch gebleken is dat het bouwplan niet voldoet aan de hierover in het Bouwbesluit en de bouwverordening gestelde eisen. Ook anderszins zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het belang bij brandveiligheid.

2.3.    Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting wordt gewaarborgd dat het garagebedrijf van appellant bereikbaar blijft en wordt rekening gehouden met de voor de uitoefening van zijn bedrijf benodigde leidingen en aansluitingen. In de bezwaren van appellant met betrekking tot erfdienstbaarheid behoefde het college dan ook geen aanleiding te zien de gevraagde vrijstelling van de toegelaten bouwhoogte te weigeren.

2.4.    Ten slotte biedt hetgeen appellant naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college er bij het nemen van de beslissing op bezwaar niet van heeft kunnen uitgaan dat de vergunning is aangevraagd ten behoeve van gebruik als bedrijfspand en dienovereenkomstig zou worden gebruikt.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. van den Ende, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Van den Ende

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2005

218-275.