Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS2151

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-01-2005
Datum publicatie
12-01-2005
Zaaknummer
200402156/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 augustus 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eersel (hierna: het college) [appellant A] gelast de bewoning van het bedrijfsgebouw aan de [locatie] te Eersel (hierna: het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden en het daarin aanwezige bed en een aantal nader omschreven andere zaken die wijzen op bewoning te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200402156/1.

Datum uitspraak: 12 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank

's-Hertogenbosch van 26 februari 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Eersel.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eersel (hierna: het college) [appellant A] gelast de bewoning van het bedrijfsgebouw aan de [locatie] te Eersel (hierna: het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden en het daarin aanwezige bed en een aantal nader omschreven andere zaken die wijzen op bewoning te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 20 januari 2004 heeft het college het daartegen door [appellant A] gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Bij besluit van 3 februari 2004 heeft het college, met toepassing van artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), het besluit van 20 januari 2004 gewijzigd.

Bij uitspraak van 26 februari 2004, verzonden op 3 maart 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het door [appellant B] tegen het besluit van 3 februari 2004 en het door [appellant A] tegen het besluit van 20 januari 2004 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, het door [appellant A] tegen het besluit van 3 februari 2004 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Voorts heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening, voorzover ingediend door [appellant B] afgewezen, en voorzover het is ingediend door [appellant A], toegewezen in die zin dat het besluit van 3 februari 2004 wordt geschorst tot 4 weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 11 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 12 maart 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 april 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij besluit van 29 maart 2004 heeft het college het bezwaar van [appellant A] opnieuw gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard en de begunstigingstermijn verlengd.

Bij besluit van 27 mei 2004 heeft het college het besluit van 29 maart 2004 gewijzigd en, onder herroeping in zoverre van het besluit van 19 augustus 2003, de begunstigingstermijn verlengd tot drie maanden na de uitspraak in hoger beroep.

Bij brief van 22 juni 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan het college toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 oktober 2004, waar [appellant A] in persoon, bijgestaan door mr. K.W.H. Albert, advocaat te Boxtel, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.M.H.M. Bakermans, ambtenaar van de gemeente Eersel, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten betogen tevergeefs dat de voorzieningenrechter het beroep van [appellant B] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft geoordeeld. De voorzieningenrechter is op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat [appellant B] niet als belanghebbende bij het besluit van 20 januari 2004 kan worden aangemerkt. De omstandigheid dat hij geregeld gebruik maakt van een in het bedrijfsgebouw geplaatst bed leidt niet tot een ander oordeel.

2.2.    [appellant A] betoogt met vrucht dat de voorzieningenrechter het door hem tegen het besluit van 20 januari 2004 ingestelde beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Bij vernietiging van dat besluit bestond belang nu dit besluit bij het besluit van 3 februari 2004 tot wijziging daarvan niet is ingetrokken.

2.3.    [appellant A] betoogt voorts terecht dat de voorzieningenrechter ten onrechte het besluit van 3 februari 2004 heeft geschorst tot vier weken na bekendmaking van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar. Dat besluit is met de vernietiging ervan vervallen, hetgeen betekent dat van een schorsing daarvan geen sprake meer kan zijn.

2.4.    Bij besluit van 10 maart 1992 heeft het college aan [appellant A] bouwvergunning verleend voor het oprichten van de hier aan de orde zijnde bedrijfsruimte ten behoeve van een op het perceel gevestigde kwekerij. Vast staat dat [appellant A] deze bedrijfsruimte is gaan bewonen in strijd met het tot 14 augustus 1998 ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1988".

2.5.    Op 14 augustus 1998 is in werking getreden het bestemmingsplan “Buitengebied 1988, 1e partiële herziening” (hierna: het bestemmingsplan). Ingevolge dat plan heeft het perceelsgedeelte waarop het bedrijfsgebouw is gerealiseerd de bestemming “Agrarisch gebied, alsmede gebied met landschappelijke waarde -AI-“.

   Ingevolge artikel 8, lid A, onder 1, sub 1, van de planvoorschriften, voorzover van belang, zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor agrarische bedrijfsvoering ten behoeve van agrarische bedrijven met de daarbij behorende bedrijfsgebouwen, kassen, agrarische bedrijfswoningen, andere bouwwerken, andere werken en open erven.

   Ingevolge artikel 8, lid BI, aanhef en onder b, sub 1, van de planvoorschriften, mogen op de in lid A bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken, welke rechtstreeks ten dienste staan van de genoemde bestemmingen worden gebouwd, met dien verstande dat bij ieder agrarisch bedrijf niet meer dan één agrarische bedrijfswoning mag worden gebouwd.

       Ingevolge artikel 44, lid II, onder 1, van de planvoorschriften, voorzover thans van belang, is het verboden de bouwwerken anders te gebruiken dan ten dienste van de in deze voorschriften aan de bijbehorende gronden gegeven bestemming.

2.6.    Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het college terecht het standpunt heeft gehandhaafd dat, nu het bedrijfsgebouw blijkens de daarvoor verleende bouwvergunning is vergund als bedrijfsruimte, bewoning daarvan ingevolge het bestemmingsplan niet is toegestaan en zodanig gebruik evenmin onder het overgangsrecht valt omdat dit tijdig is gewraakt.

2.7.    [appellant A] betoogt evenwel met succes dat 44, lid II, onder 1, van de planvoorschriften niet in de weg staat aan bewoning van het bedrijfsgebouw. De op het perceel rustende bestemming staat een bedrijfswoning toe. Een verbod van het gebruik van een gebouw in strijd met de bestemming geldt alleen ingevolge een uitdrukkelijk daartoe strekkend planvoorschrift. Nu zodanig voorschrift ontbreekt, is van strijdig gebruik als bedoeld in artikel 44, lid II, onder 1, geen sprake.

   De omstandigheid dat op 12 november 1998 een, inmiddels in rechte onaantastbaar geworden, bouwvergunning is verleend voor een nieuwe bedrijfswoning die het college slechts heeft willen verlenen onder de voorwaarde dat het gebruik van de bedrijfsruimte als bedrijfswoning zou worden gestaakt kan aan het voorgaande niet afdoen. Deze bouwvergunning is immers niet verleend onder de voorwaarde dat het gewraakte gebruik van de bedrijfsruimte als bedrijfs(be)woning zou moeten worden beëindigd. De omstandigheid dat het bestemmingsplan een tweede bedrijfswoning op het perceel niet zonder meer toestaat zodat de bouwvergunning mogelijk in strijd met artikel 44, eerste lid, van de Woningwet is verleend, maakt het gewraakte gebruik van de bedrijfsruimte als (eerste) bedrijfswoning niet onrechtmatig.

2.8.    Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter tot het onjuiste oordeel is gekomen dat de bewoning van de bedrijfsruimte in strijd is met het bestemmingsplan en dat het college mitsdien bevoegd was tot handhavend optreden. Het hoger beroep is in zoverre gegrond. Nu de aangevallen uitspraak evenwel reeds strekt tot vernietiging van het besluit van 3 februari 2004, dient deze met verbetering van gronden te worden bevestigd.

2.9.    Het college heeft bij besluiten van 29 maart 2004 en 27 mei 2004 opnieuw beslist op het bezwaar van [appellant A]. Die besluiten worden ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid en 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb geacht eveneens onderwerp te zijn van het geding. Nu het college daarbij evenzeer heeft miskend dat geen wettelijke grondslag bestond voor handhavend optreden, dienen ook die besluiten te worden vernietigd.

2.10.    De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, het besluit van 19 augustus 2003 te herroepen.

2.11.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 februari 2004, AWB 04/250 GEMWT, voorzover daarbij het beroep van [appellant A] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Eersel van 20 januari 2004 niet-ontvankelijk is verklaard en het besluit van 3 februari 2004 is geschorst tot vier weken na bekendmaking van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar.

III.    verklaart het door [appellant A] bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Eersel van 20 januari 2004, 150680;

V.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI.    vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Eersel van 29 maart 2004, 157286 en 27 mei 2004, 164544;

VII.    herroept het besluit van 19 augustus 2003, 134134;

VIII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Eersel in de door [appellant A] in verband met de behandeling van het hoger beroep en beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1391,68, waarvan € 1288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Eersel te worden betaald aan [appellant A];

IX.    gelast dat de gemeente Eersel aan [appellant A] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en beroep betaalde griffierecht (€ 205,00 + € 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Duursma

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2005

71-412.