Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AS2146

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-01-2005
Datum publicatie
12-01-2005
Zaaknummer
200404561/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2003 heeft verweerder aan appellante op haar aanvraag een subsidie voor 2003 verleend tot een bedrag van € 1.578.910,00 voor extra middelen winkeltaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200404561/1.

Datum uitspraak: 12 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Prisma", gevestigd te Waalwijk,

appellante,

en

het College voor zorgverzekeringen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2003 heeft verweerder aan appellante op haar aanvraag een subsidie voor 2003 verleend tot een bedrag van € 1.578.910,00 voor extra middelen winkeltaken.

Bij besluit van 27 april 2004 heeft verweerder het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 1 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 2 juni 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 13 augustus 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door [leden] van de raad van bestuur, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Oonk, gemachtigde, en mr. A.C.M. van Saase en M. Wiers-de Groot, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1p, eerste lid, van de Ziekenfondswet, voorzover hier van belang, kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat het College voor zorgverzekeringen ten laste van de Algemene Kas dan wel ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten overeenkomstig in die regeling gestelde regels subsidies verstrekt voor activiteiten welke ten doel hebben verbetering van de zorgverlening te bevorderen.

   Ter uitvoering van dit artikel strekt de Regeling subsidies AWBZ en Ziekenfondswet van 27 november 2000, Stcrt. 233 (hierna: de Regeling), zoals die van kracht was ten tijde hier van belang.

   Ingevolge artikel 1.1.2, eerste lid, van de Regeling, voorzover hier van belang, verstrekt het College voor zorgverzekeringen op grond van deze regeling subsidies voor de in hoofdstuk 2 aangegeven doeleinden.

   Ingevolge artikel 2.4.4.1 van de Regeling, voorzover hier van belang, worden aan sociaal pedagogische diensten instellingssubsidies verleend voor door hen uitgevoerde (a) winkeltaken en (b) aanvullende productie met betrekking tot de taken, bedoeld onder (a), gericht op het wegwerken van bestaande wachtlijsten in de gehandicaptenzorg.

2.1.1.    Ter uitvoering van de Regeling heeft verweerder op 18 december 2002 vastgesteld de Beleidsregels subsidiëring extra winkeltaken SPD-en. Deze beleidsregels geven aan welke criteria verweerder hanteert bij het verstrekken van subsidie voor aanvullende productie met betrekking tot winkeltaken van Sociaal Pedagogische Diensten gericht op het wegwerken van wachtlijsten in de gehandicaptenzorg als bedoeld in artikel 2.4.4.1, onder b, van de Regeling.

2.2.    Bij het bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde besluit heeft verweerder de gevraagde subsidie verleend tot een bedrag van € 1.578.910,00. Hij heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat cliënten die in instellingen verblijven en voor herindicatie benaderd worden, reeds in zorg zijn en niet op een wachtlijst staan. Omdat de subsidie voor wachtlijstmiddelen winkeltaken expliciet is bedoeld voor het wegwerken van wachtlijsten in de gehandicaptenzorg, wordt aan appellante geen subsidie verstrekt voor de cliënten die in instellingen verblijven.

2.3.    Appellante heeft in beroep allereerst betoogd dat verweerder haar ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld haar bezwaar te motiveren en dat de beslissing op bezwaar in strijd met artikel 7:10 van de Awb meer dan zes weken na de hoorzitting is genomen.

2.3.1.    Dit betoog faalt. Aangezien appellante in haar bezwaarschrift van 9 december 2003 heeft aangegeven dat haar bezwaar zich richt tegen het niet honoreren van de cliënten die geherindiceerd dienen te worden en zodoende op haar wachtlijst staan, heeft zij voldaan aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) dat het bezwaarschrift ten minste de gronden van het bezwaar bevat. Verweerder heeft terecht geen reden gezien appellante, op grond van artikel 6:6 van de Awb, de gelegenheid te geven haar bezwaarschrift nader te motiveren. Bovendien heeft verweerder appellante tijdens de hoorzitting van 21 januari 2004 in de gelegenheid gesteld haar bezwaar toe te lichten, van welke mogelijkheid zij geen gebruik heeft gemaakt.

   Vast staat dat verweerder bij het beslissen op het bezwaarschrift van appellante de daarvoor in artikel 7:10 van de Awb gestelde termijn niet in acht heeft genomen. Overschrijding van die termijn betekent echter niet dat dit besluit reeds op die grond voor vernietiging in aanmerking komt. Er valt immers geen wettelijk voorschrift aan te wijzen dat bepaalt dat in een geval als het onderhavige het desbetreffende besluit niet in stand kan blijven. Evenmin bestaat er grond voor het oordeel dat appellante door deze gang van zaken zodanig in haar belangen is geschaad, dat het bestreden besluit om die reden wegens strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel enig rechtsbeginsel niet in stand kan blijven. Appellante had desgewenst tegen het uitblijven van de beslissing op bezwaar kunnen opkomen op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, en artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, welke actie zij niet heeft ondernomen.

2.4.    Voorts heeft appellante aangevoerd dat de interpretatie van verweerder van "wachtlijstcliënten" onduidelijk is en niet overeenkomt met haar interpretatie. Zij wenst, naar ter zitting is komen vast te staan, eveneens subsidie te ontvangen voor personen die al zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) ontvangen en vervolgens in aanmerking komen voor andere zorg, maar die nog niet door het Regionaal Indicatie Orgaan (hierna: RIO) voor die andere zorg zijn geherindiceerd.

2.4.1.    Het enkele feit dat iemand voor herindicering in aanmerking komt, betekent nog niet dat hij of zij op de wachtlijst voor AWBZ-zorg staat. Pas wanneer het RIO betrokkene geherindiceerd heeft en de alsdan geïndiceerde zorg (nog) niet beschikbaar is, komt hij of zij op de wachtlijst voor AWBZ-zorg te staan. De werkzaamheden voor personen die nog niet geherindiceerd zijn, dienen evenwel uit de subsidie voor reguliere winkeltaken te worden betaald. Derhalve heeft verweerder aan appellante terecht geen subsidie voor het wegwerken van wachtlijsten verstrekt voor de door appellante bedoelde cliënten die reeds in instellingen verblijven, omdat deze subsidie hiervoor niet is bedoeld.

2.5.    Tenslotte heeft appellante betoogd dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

2.5.1.    Het betoog van appellante dat het gelijkheidsbeginsel ertoe leidt dat cliënten die al AWBZ-geïndiceerde zorg ontvangen, net als cliënten die deze zorg niet ontvangen, recht hebben op de subsidiegelden voor de Sociaal Pedagogische Dienst, treft geen doel. De werkzaamheden van deze dienst ten behoeve van cliënten die al zorg ontvangen, worden gesubsidieerd op grond van artikel 2.4.4.1, aanhef en onder a, van de Regeling, zodat in dit geval geen sprake is van gelijke gevallen.

2.6.    Het beroep is ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Groenendijk

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2005

164-420.