Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AR8742

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-01-2005
Datum publicatie
05-01-2005
Zaaknummer
200404418/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vught (hierna: het college) geweigerd een bouwvergunning te verlenen voor het in afwijking van een eerder verleende vergunning bouwen van een garage/bergruimte op het perceel [locatie] te Vught.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200404418/1.

Datum uitspraak: 5 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Vught,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 maart 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Vught.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vught (hierna: het college) geweigerd een bouwvergunning te verlenen voor het in afwijking van een eerder verleende vergunning bouwen van een garage/bergruimte op het perceel [locatie] te Vught.

Bij besluit van 8 april 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard voorzover de aanvraag niet tevens is beoordeeld als een verzoek om vrijstelling, het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard en onder herroeping van het besluit van 10 juni 2002 een nieuw besluit genomen, inhoudende weigering van de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning.

Bij uitspraak van 26 maart 2004, verzonden op 27 april 2004, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 27 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 juni 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 3 augustus 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. M.B.Ph. Geeraedts, advocaat te 's-Hertogenbosch, en het college, vertegenwoordigd door Y. Yeyden en drs. M. Koopmans, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het hoger beroep is, zo is ook ter zitting door appellant bevestigd, beperkt tot het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat het college eraan is voorbijgegaan dat de luifel waarvoor een vergunning is gevraagd, als een vergunningvrij bouwwerk moet worden aangemerkt.

2.1.1.    Ingevolge artikel VII, derde lid, van de wet van 18 oktober 2001 tot wijziging van de Woningwet naar aanleiding van enerzijds de evaluatie van die wet en anderzijds het project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit (bouwvergunningprocedure en welstandstoezicht), Stb. 2001, 518, voorzover hier van belang, is op een aanvraag om bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, die is ingediend vóór inwerkingtreding van de desbetreffende bepaling van deze wet, het recht van toepassing zoals dat gold op de dag waarop die aanvraag is ingediend, tenzij artikel I, onderdeel N, ertoe leidt dat voor het bouwen geen bouwvergunning is vereist. In artikel I, onder N, is artikel 43, eerste lid, van de Woningwet opgenomen, zoals dat sinds 15 augustus 2002 luidt.

2.1.2.    De luifel wordt gevormd door een gedeelte van het plafond van de onder de garage/berging gelegen kelder, dat uitsteekt boven de inrit van die kelder. Gelet op deze bouwkundige samenhang vormt de luifel geen zelfstandige constructie maar is deze onderdeel van de kelder. De luifel kan reeds daarom niet worden aangemerkt als een bouwwerk van beperkte betekenis zoals bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder c, van de Woningwet, in samenhang gelezen met artikel 2, aanhef en onder b, van het Besluit bouwvergunningvrije en licht- bouwvergunningplichtige bouwwerken. Evenmin kan de luifel worden aangemerkt als een vergunningvrij bouwwerk, zoals bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder d, van die wet, zoals dat artikel luidde op dag waarop de aanvraag werd ingediend. Het betoog van appellant kan dan ook geen doel treffen.

2.2.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. van den Ende, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Van den Ende

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2005

66-275.