Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AR8740

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-01-2005
Datum publicatie
05-01-2005
Zaaknummer
200401290/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 mei 2003 heeft de gemeenteraad van Maasdriel, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 6 mei 2003, het bestemmingsplan "Herziening bestemmingsplan Buitengebied, herziening [naam appellanten] vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200401290/1.

Datum uitspraak: 5 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2003 heeft de gemeenteraad van Maasdriel, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 6 mei 2003, het bestemmingsplan "Herziening bestemmingsplan Buitengebied, herziening [naam appellanten] vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 16 december 2003, no. RE2003.51065, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief van 11 februari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 12 februari 2004, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 23 maart 2004 meegedeeld dat geen  verweerschrift wordt uitgebracht.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 14 juli 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 december 2004, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. H.S. Weeda, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. E.J.M.W. Waterval, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar namens de gemeenteraad A.G. van Liempt, ambtenaar van de gemeente, gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2.    Het bestemmingsplan behelst een aanpassing van de voorschriften van het bestemmingsplan “Buitengebied, herziening [naam appellanten].

Met dit bestemmingsplan werd beoogd op de terreinen van [appellanten] het bouwen van een ontvangsthal mogelijk te maken en het uitbreiden van tunnelgebouwen te voorkomen. In de voorschriften behorende bij het plan “Buitengebied, herziening [naam appellanten] was echter geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende vormen van bedrijfsbebouwing. Middels het plan dat hier aan de orde is wordt beoogd deze omissie te herstellen.

2.3.    [appellanten] stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij hebben bezwaren over de inspraakprocedure. Voorts is volgens hen ten onrechte geen gevolg gegeven aan het bepaalde in artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. [appellanten] zijn verder van mening dat het plan tot een ernstige beperking van de bedrijfsvoering leidt. Het gemaakte onderscheid tussen ontvangsthallen en tunnelgebouwen is volgens hen niet ruimtelijk relevant. [appellanten] betogen tot slot dat met het plan voorbij wordt gegaan aan afspraken met de gemeente.

2.4.    Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening of in strijd met het recht te achten en heeft het plan goedgekeurd. Hij meent dat de beperking aan bouwmogelijkheden op de percelen van [appellanten] niet opweegt tegen het voorkomen van een verdere aantasting van het plaatselijke woon- en leefklimaat.

2.5.    Ingevolge artikel 6a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening worden de ingezetenen van de gemeente en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen of herziening daarvan betrokken op de wijze zoals voorzien in de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde verordening.

De gemeenteraad van Maasdriel heeft een dergelijke verordening vastgesteld waarin een regeling is getroffen voor het doen van beklag over de uitvoering van de verordening.

Gebleken is dat [appellanten] er van hebben afgezien van inspraak over het voorliggende plan gebruik te maken.

Gelet hierop bestaat er geen aanleiding op de bezwaren van [appellanten] ter zake van inspraak verder in te gaan.

2.5.1.    In artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985) is - voorzover hier van belang - bepaald dat  burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan waar nodig overleg plegen met de besturen van de gemeenten wier belangen rechtstreeks in het geding zijn, met die diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening alsmede met die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van de belangen welke in het plan in het geding zijn.

Blijkens de Nota van toelichting bij het Bro 1985 dient over het algemeen het overleg beperkt te blijven tot die instanties waarmee overleg naar het oordeel van de gemeente ook werkelijk noodzakelijk is.

Gelet op de aard van het plan heeft verweerder in dit geval naar het oordeel van de Afdeling in het niet voeren van overleg als bedoeld in artikel 10 van het Bro 1985 onvoldoende aanleiding kunnen zien om aan het plan goedkeuring te onthouden.

2.5.2.    [Appellanten] zijn gevestigd aan de [locatie] te [plaats] en bereiden aldaar substraat voor de teelt van champignons. [Appellant 1] houdt zich daarnaast bezig met de teelt van champignons. Op het terrein van [appellant 1] staat een tunnelgebouw en een champignonkwekerij. [Appellant 2] beschikt over twee tunnelgebouwen.[Appellanten] zijn in het bezit van een milieuvergunning alsmede een bouwvergunning voor de bouw van een ontvangsthal.

2.5.3.    De gronden van [appellanten] zijn in het bestemmingsplan “Buitengebied, herziening [naam appellanten] aangewezen voor  “Bedrijfsbebouwing met landschapsvoorziening” en ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften onder meer bestemd voor een champignonkwekerij en/of substraatbereidingsbedrijf. In artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de voorschriften behorende bij het plan “Buitengebied, herziening [naam appellanten] is bepaald dat op deze gronden uitsluitend bedrijfsgebouwen met een maximale hoogte van 10 meter zijn toegestaan. In het plan is geen nadere omschrijving van het begrip bedrijfsgebouwen opgenomen.

Het thans aan de orde zijnde plan voorziet in een aanpassing van artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften. Hierin is - voorzover hier van belang - bepaald dat binnen de als zodanig aangegeven bebouwingsoppervlakken uitsluitend de volgende bebouwing is toegestaan:

- de op het moment van terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan bestaande tunnelgebouwen, welke mogen worden gehandhaafd, hersteld en vervangen, met dien verstande dat de bestaande oppervlakte van tunnelgebouwen eenmalig met maximaal 10% mag worden uitgebreid en de hoogte van tunnelgebouwen maximaal 10 meter bedraagt;

- ontvangsthallen met een maximale hoogte van 10 meter.

2.5.4.    De Afdeling acht het standpunt van verweerder dat het in het plan gemaakte onderscheid in bouwmogelijkheden voor ontvangsthallen en tunnelgebouwen gewenst is uit het oogpunt van voorkoming van een verdere aantasting van het plaatselijke woon- en leefklimaat niet onredelijk. Hierbij neemt zij in aanmerking dat, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, de inrichtingen van [appellanten] de in de milieuvergunningen opgenomen normen overschrijden. Met een ontvangsthal kan het homogeniseringsproces dat zich thans in de open lucht voltrekt, overdekt plaatsvinden. Hiermee zou aan de in de milieuvergunningen opgenomen normen kunnen worden voldaan.

Gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, acht de Afdeling het verder aannemelijk dat door een omvangrijke uitbreiding van tunnelgebouwen de verkeers- en stankhinder zal toenemen.  

Ten gevolge van het plan zullen de bouwmogelijkheden op het perceel van [appellanten] enigszins worden beperkt.

Niet aannemelijk is geworden dat door deze beperking in bebouwingsmogelijkheden de bedrijfsvoering van [appellanten] in gevaar komt. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat weliswaar uitbreiding van tunnelgebouwen in het plan is beperkt tot maximaal 10% van de bestaande oppervlakte, maar dat voor het bouwen van ontvangsthallen het plan geen belemmering vormt.

Voorts is niet gebleken dat met het plan afspraken tussen [appellanten] en de gemeente worden geschonden.

2.5.5.    Gezien het vorenstaande is het plan niet vastgesteld in strijd met het recht en heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton    w.g. Bindels

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2005

85-466.