Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2005:AR8734

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-01-2005
Datum publicatie
05-01-2005
Zaaknummer
200404914/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 januari 2002 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) aan [een van appellanten sub 3] een uitwegvergunning verleend als bedoeld in artikel 14 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Tilburg (hierna: APV) voor het perceel [locatie] te Tilburg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200404914/1.

Datum uitspraak: 5 januari 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Tilburg,

2. [appellanten sub 2], gevestigd respectievelijk wonend te Tilburg,

3. [appellanten sub 3], wonend te Tilburg,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 15 april 2004 in het geding tussen:

appellanten sub 3

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2002 heeft appellant sub 1 (hierna: het college) aan [een van appellanten sub 3] een uitwegvergunning verleend als bedoeld in artikel 14 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Tilburg (hierna: APV) voor het perceel [locatie] te Tilburg.

Bij besluit van 8 december 2003 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het (primaire) besluit van 18 januari 2002 herroepen en alsnog de uitwegvergunning geweigerd.

Bij uitspraak van 15 april 2004, verzonden op 10 mei 2004, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college met inachtneming van de uitspraak, binnen zes weken na verzending ervan, een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college en appellanten sub 2 en 3 bij brieven van respectievelijk 15 juni 2004, ingekomen bij de Raad van State op 16 juni 2004, 14 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2004 en 18 juni 2004, ingekomen bij de Raad van State op 21 juni 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden van laatstgenoemd hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 19 juli 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brieven van respectievelijk 29 juli en 11 en 13 augustus 2004 hebben het college en appellanten sub 3 en 2 van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2004, waar het college, vertegenwoordigd door mr. L.P.F. Warnier, ambtenaar der gemeente,[appellanten sub 2] in persoon, laatstgenoemde mede namens de [bewonersvereniging] en [appellant sub 2], en appellanten sub 3 in persoon, bijgestaan door H.J. Kastein, gemachtigde, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Anders dan appellanten sub 3 betogen heeft de rechtbank appellanten sub 2 terecht als belanghebbenden bij het besluit van 18 januari 2002 aangemerkt. De bij dit besluit verleende uitwegvergunning heeft betrekking op een bedrijfspand gelegen aan het begin van een woonerf [locatie]. Deze straat leidt naar de op [locatie] gelegen woningen en vormt voor deze woningen de enige ontsluiting. Het (auto- en vracht)verkeer van en naar de woningen op [locatie] passeert derhalve de uitweg. Onder deze omstandigheden is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat appellanten [appellanten sub 2], als bewoners van [locatie], door het college terecht zijn aangemerkt als rechtstreeks belanghebbenden bij het besluit van 18 januari 2002. Met betrekking tot de bewonersvereniging is ter zitting gebleken dat zij rechthebbende is op een op [locatie], en daarmee in de onmiddellijke nabijheid van de uitweg, gelegen perceel grond. Reeds hierom is de Afdeling van oordeel dat het belang van de bewonersvereniging rechtstreeks is betrokken bij voornoemd besluit.

2.2.    Het college en appellanten sub 2 betogen tevergeefs dat de rechtbank de beslissing op bezwaar van 8 december 2003, waarbij de uitwegvergunning alsnog is geweigerd, ten onrechte heeft vernietigd. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2.3.    Ingevolge artikel 14, derde lid, van de APV kan een (uitweg)vergunning worden geweigerd indien de uitweg gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving dan wel de bescherming van de groenvoorzieningen in de gemeente.

2.4.    De Afdeling stelt voorop dat slechts indien de in voormeld artikellid genoemde omstandigheden zich voordoen, het college bevoegd is de vergunning te weigeren. Indien die omstandigheden zich voordoen, dient het college, gelet op het bepaalde in artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en de in artikel 14, derde lid, van de APV neergelegde discretionaire bevoegdheid, dat vervolgens af te wegen tegen de individuele belangen van de aanvrager teneinde een beslissing tot verlening of tot weigering te nemen. Onjuist is dan ook het standpunt van het college ter zitting dat bij de beoordeling van het verzoek de belangen van de aanvrager - de bereikbaarheid van zijn bedrijf en financiële belangen - niet konden worden betrokken.

2.5.    De weigering van de uitwegvergunning is hoofdzakelijk gebaseerd op de overweging dat de uitweg gevaar oplevert voor het doelmatig en veilig gebruik van [locatie], onder verwijzing naar de functie van [locatie] als woonerf. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting kan de Afdeling zich verenigen met de overweging van de rechtbank dat de uitweg weliswaar uitkomt op een in juridische zin als ‘woonerf’ aan te duiden deel van [locatie], maar dat dit deel gezien de situatie ter plaatse geen onderdeel vormt van het woonerf. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college niet kon volstaan met een verwijzing naar de functie van het woonerf.

   Het college heeft zijn oordeel dat de uitweg gevaar oplevert voor het doelmatig en veilig gebruik van [locatie] ten onrechte niet op onderzoek terzake gebaseerd. Daaraan doet niet af dat de aanvrager van de vergunning desgevraagd aan het college geen duidelijkheid heeft verschaft over de aard en omvang van het gebruik van de uitweg. Het uitblijven van onderzoek klemt temeer daar het college aanvankelijk wel tot verlening van een uitwegvergunning is overgegaan en uit het oogpunt van de bruikbaarheid en verkeersveiligheid van de weg kennelijk geen (overwegende) beletselen heeft gezien bij verlening van die vergunning. Het college heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat een verkeerskundige van de gemeente naar aanleiding van de ingediende bezwaren de situatie ter plaatse heeft beoordeeld en het standpunt heeft ingenomen dat de vergunning kon worden gehandhaafd. Het college heeft het onderzoek evenwel buiten beschouwing gelaten, omdat dit standpunt gelet op de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, niet concludent werd geacht. Bovendien is volgens de verklaring van het college de verkeerskundige naderhand (mondeling) op zijn standpunt teruggekomen. Nu sprake is van wisselende standpunten ten aanzien van de toelaatbaarheid van de uitweg zonder dat deze door een deugdelijke motivering worden gedragen, en het college zijn oordeel blijkbaar heeft willen baseren op onderzoek naar de situatie ter plaatse, had in dit geval een nader onderzoek door het college niet achterwege kunnen blijven.

2.6.    De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Molenaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk    w.g. Molenaar

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2005

369.