Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR8015

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-12-2004
Datum publicatie
22-12-2004
Zaaknummer
200403113/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 februari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ambt Montfort (hierna: het college) naar aanleiding van het door [wederpartij] ingediende verzoek geweigerd vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) van de planvoorschriften te verlenen ten behoeve van de bouw van een woning op het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], no. […], plaatselijk bekend [locatie].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2005, 97 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200403113/1.

Datum uitspraak: 22 december 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond van 5 maart 2004 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Ambt Montfort.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ambt Montfort (hierna: het college) naar aanleiding van het door [wederpartij] ingediende verzoek geweigerd vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) van de planvoorschriften te verlenen ten behoeve van de bouw van een woning op het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], no. […], plaatselijk bekend [locatie].

Bij besluit van 2 december 2003 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 maart 2004, verzonden op diezelfde datum, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond (hierna: de voorzieningenrechter) appellanten niet als belanghebbende aangemerkt bij de beslissing op bezwaar, het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 14 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 15 april 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 mei 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Op 9 juni 2004 is een reactie van [wederpartij] ontvangen.

Bij brief van 15 juni 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 november 2004, waar appellanten zijn verschenen. Het college is, met bericht van verhindering niet verschenen.

Voorts is [wederpartij] is gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten betogen op de in hun hoger-beroepschrift aangegeven gronden dat de voorzieningenrechter hen ten onrechte niet als belanghebbenden bij het bestreden besluit heeft aangemerkt.

2.2.    Ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State kan een belanghebbende hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6. van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Ingevolge het derde lid van dit artikel, voor zover hier van belang, kan tegen andere beslissingen van de rechtbank slechts tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de in het eerste lid bedoelde uitspraak hoger beroep worden ingesteld.

2.2.1.    De Afdeling verstaat het standpunt van de voorzieningenrechter aldus, dat appellanten niet als partij als bedoeld in artikel 8:26 van de Awb aan het geding kunnen deelnemen, aangezien zij niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt.

2.2.2.    Appellanten kan een belang om deze beslissing, die rechtstreeks op hen betrekking heeft, aan de Afdeling voor te leggen, niet worden ontzegd. Zij moeten dan ook als belanghebbenden in de zin van artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, worden aangemerkt.

Aangezien het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb evenmin aan appellanten kan worden tegengeworpen, is er geen reden om hun hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

2.3.    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 8:26, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank tot sluiting van het onderzoek ter zitting ambtshalve, op verzoek van een partij of op hun eigen verzoek, belanghebbenden in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen.

2.4.    Appellanten hebben de voorzieningenrechter verzocht als partij als bedoeld in artikel 8:26, eerste lid, van de Awb aan het geding te mogen deelnemen. De voorzieningenrechter heeft, blijkens de aangevallen uitspraak, hiermede aanvankelijk ingestemd. Appellanten zijn dan ook in de gelegenheid gesteld zowel schriftelijk als mondeling hun standpunt naar voren te brengen.

Vervolgens heeft de voorzieningenrechter bij de aangevallen uitspraak alsnog negatief beslist op het verzoek van appellanten.

Hierbij heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat niet is aangetoond, noch valt in te zien, welk eigen, persoonlijk en concreet belang appellanten hebben bij de beantwoording van de vraag of aan [wederpartij] terecht en op goede gronden een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is geweigerd.

2.5.    De Afdeling deelt het standpunt van de voorzieningenrechter niet.

Het belang van appellanten, die direct omwonenden zijn, is tegengesteld aan dat van [wederpartij]. Immers, de in bezwaar gehandhaafde weigering om vrijstelling als vorenbedoeld te verlenen, strookt met hun wens.

Het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep kan ertoe leiden, zoals ook in casu is gebeurd, dat het in het bezwaar gehandhaafde weigeringsbesluit wordt vernietigd, waardoor appellanten in een nadeligere positie komen te verkeren. Appellanten dienen in een dergelijk geval in de gelegenheid gesteld te worden hun belangen bij de instandhouding van de geweigerde vrijstelling bij de rechter naar voren te kunnen brengen.

Derhalve valt niet in de zien dat appellanten niet als partij in de zin van artikel 8:26 van de Awb aan het door [wederpartij] ingestelde geding konden deelnemen.

2.6.    Voorts is de Afdeling van oordeel dat de in het dictum opgenomen beslissing tot het niet aanmerken van appellanten als belanghebbenden bij het bestreden besluit zich niet verdraagt met artikel 8:70 van de Awb, waarin de beslissingen waarmee een uitspraak in hoofdzaak kan eindigen, limitatief zijn opgesomd.

2.7.    Het hoger beroep is in zoverre gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij appellanten niet als belanghebbenden bij het bestreden besluit zijn aangemerkt.

2.8.    De overige door appellanten naar vorengebrachte grieven hebben betrekking op de ten overvloede gegeven overwegingen die het dictum niet dragen. Ter zitting hebben appellanten deze grieven ingetrokken, zodat een verdere bespreking hiervan achterwege kan blijven.

2.9.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond van 5 maart 2004, AWB 04/40 en 04/167 WRO, voor zover daarbij appellanten niet als belanghebbenden bij het besluit van 2 december 2003 zijn aangemerkt;

III.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV.    gelast dat de secretaris van de Raad van State aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 205,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin    w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2004

328.