Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR6752

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-11-2004
Datum publicatie
01-12-2004
Zaaknummer
200408699/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 september 2004, kenmerk MD 04.52703, heeft verweerder krachtens artikel 5, eerste lid, van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) nadere eisen gesteld voor de inrichting van verzoekster op het perceel Boterdiep 46 te Groningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408699/1.

Datum uitspraak: 26 november 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de stichting "Stichting ter bevordering van Interactieve Multiculturele Producties, Projectonderwijs en Theateractiviteiten", gevestigd te Groningen,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2004, kenmerk MD 04.52703, heeft verweerder krachtens artikel 5, eerste lid, van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) nadere eisen gesteld voor de inrichting van verzoekster op het perceel Boterdiep 46 te Groningen.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 26 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op 27 oktober 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 november 2004, waar verzoekster vertegenwoordigd door [gemachtigden], mr. B.N. Kloostra, advocaat te Groningen, en verweerder, vertegenwoordigd door W. Brandsma, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [derde belanghebbende], daar in persoon gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder meer de nadere eis gesteld dat in de inrichting geen “levende muziek” ten gehore mag worden gebracht. Verweerder heeft aan dit besluit de overweging ten grondslag gelegd dat in een grenzend aan de inrichting gelegen pand, waar een kamerverhuurbedrijf is gevestigd, in een aantal studentenkamers geluidoverlast wordt ondervonden.

2.2.    Verzoekster kan zich met deze nadere eis niet verenigen. Zij heeft aangevoerd dat deze haar onevenredig zwaar treft en haar voortbestaan ernstig bedreigd. Voorts heeft zij betoogd dat verweerder aan haar belangen ten opzichte van de belangen van het kamerverhuurbedrijf onvoldoende gewicht heeft toegekend nu slechts in één studentenkamer, welke thans leegstaat, sprake is van ernstige geluidoverlast en zij bereid is deze kamer te huren. Verzoekster meent dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht met welke, minder ingrijpende, andere maatregelen geluidoverlast in het naburige pand kan worden voorkomen.

2.3.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. Niet in geschil is dat door het ten gehore brengen van “levende muziek” in de inrichting van verzoekster de geldende geluidgrenswaarden uit voorschrift 1.1.1 uit de bijlage van het Besluit in tenminste één studentenkamer worden overschreden. Voorts is niet bestreden dat deze kamer momenteel leegstaat.

   De Voorzitter overweegt dat, zoals door verweerder ter zitting ook is erkend, uit het bestreden besluit onvoldoende blijkt dat een belangenafweging tussen de belangen van verzoekster en van de derdebelanghebbende in deze procedure is gemaakt. Voorts blijkt uit het bestreden besluit onvoldoende dat verweerder heeft onderzocht door middel van welke andere maatregelen geluidoverlast in het aan de inrichting van verzoekster grenzende kamerverhuurbedrijf kan worden voorkomen.

   Gelet op deze omstandigheden en nu ter zitting is gebleken dat overigens geen klachten over geluidhinder van omwonenden bekend zijn, ziet de Voorzitter bij afweging van de betrokken belangen aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.4.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Groningen van 14 september 2004, kenmerk MD 04.52703, voorzover daarbij het ten gehore brengen van “levende muziek” is verboden, tot 6 weken na het besluit op bezwaar, met dien verstande dat, wanneer binnen die termijn van 6 weken de Voorzitter is benaderd met een verzoek om voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat de Voorzitter op dat verzoek heeft beslist;

II.    treft de voorlopige voorziening dat in de periode als bedoeld onder I. in de inrichting van verzoekster niet meer dan twee avonden per week “levende muziek” ten gehore mag worden gebracht tot uiterlijk 1.00 uur;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Groningen in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 686,91, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Groningen te worden betaald aan verzoekster;

IV.    gelast dat de gemeente Groningen aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 273,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Van Hardeveld

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2004

312.