Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR6747

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2004
Datum publicatie
01-12-2004
Zaaknummer
200408496/1 en 200408496/2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 februari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk (hierna: het college) aan de stichting “Woonstichting De Woonplaats” (hierna: De Woonplaats) bouwvergunning verleend voor het oprichten van 14 woonzorgappartementen met een bedrijfsruimte aan de Groenloseweg te Winterswijk. Bij besluit van 17 februari 2004 heeft het haar verder bouwvergunning verleend voor het oprichten van 6 appartementen met bedrijfsruimte aan de Groenloseweg te Winterswijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408496/1 en 200408496/2.

Datum uitspraak: 25 november 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

1.    de besloten vennootschap “Kapee Bouwgroep B.V.”, gevestigd te     Winterswijk,

2.     [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 11 oktober 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk (hierna: het college) aan de stichting “Woonstichting De Woonplaats” (hierna: De Woonplaats) bouwvergunning verleend voor het oprichten van 14 woonzorgappartementen met een bedrijfsruimte aan de Groenloseweg te Winterswijk. Bij besluit van 17 februari 2004 heeft het haar verder bouwvergunning verleend voor het oprichten van 6 appartementen met bedrijfsruimte aan de Groenloseweg te Winterswijk.

Bij besluit van 28 september 2004 heeft het college de door appellanten tegen die besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 oktober 2004, verzonden op 18 oktober 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de bezwaren van appellanten alsnog niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak inzoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 18 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Voorts hebben zij de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2004, waar appellante sub 2 in persoon bijgestaan door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Tollkamp, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar De Woonplaats, vertegenwoordigd door mr. T. Rammelt, advocaat te Amsterdam, verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De voorzieningenrechter is op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat appellanten niet als belanghebbenden bij de in bezwaar gehandhaafde bouwvergunningen kunnen worden aangemerkt. Het daartegen gerichte betoog van appellanten faalt.

2.2.    De klacht van appellanten dat de voorzieningenrechter bij de kostenveroordeling en de aan de gemeente opgelegde last tot vergoeding van het griffierecht ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat hangende bezwaar twee verzoeken om voorlopige voorziening zijn ingediend, kan niet slagen, nu zij niet de uitspraak van 11 oktober 2004 in het bodemgeschil betreft.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Gelet hierop, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb    w.g. Roelfsema

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2004

58-412.