Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR6737

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-11-2004
Datum publicatie
01-12-2004
Zaaknummer
200407507/1 en 200407507/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juni 2004 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante vergunning geweigerd voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting omvattende een motorbrandstoffenstation bestemd tot het bewaren in een ondergronds reservoir van benzine, dieselolie en door samenpersen tot vloeistof verdicht propaan (LPG), alsmede een verkoopkiosk, garage, washal en een gedeelte voor het verkopen van motorvoertuigen op het perceel gelegen aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Didam, sectie […], nummers […] en […], en sectie […], nummers […] en […]. Dit besluit is op 29 juli 2004 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2005, 90 met annotatie van P. van der Ree
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407507/1 en 200407507/2.

Datum uitspraak: 24 november 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Didam,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2004 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante vergunning geweigerd voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting omvattende een motorbrandstoffenstation bestemd tot het bewaren in een ondergronds reservoir van benzine, dieselolie en door samenpersen tot vloeistof verdicht propaan (LPG), alsmede een verkoopkiosk, garage, washal en een gedeelte voor het verkopen van motorvoertuigen op het perceel gelegen aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Didam, sectie […], nummers […] en […], en sectie […], nummers […] en […]. Dit besluit is op 29 juli 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 7 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 8 september 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 7 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 8 september 2004, heeft appellante de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 oktober 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. C.W. Reintjes, advocaat te Duiven, [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door J. Polman, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.    Overwegingen

2.1.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.2.    Appellante voert aan dat verweerder ten onrechte vergunning voor het oprichten en in werking hebben van de onderhavige inrichting heeft geweigerd, nu zij met betrekking tot de opslag en verkoop van LPG niet gehouden is aan de in de Integrale nota LPG (Tweede Kamer, vergaderjaar 1983-1984, 18233, nummers 1 en 2) weergegeven externe veiligheidsafstanden voor (incidentele) bebouwing en bijzondere objecten categorie I, omdat deze afstanden enkel gelden voor nieuwe LPG-installaties. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake, nu de LPG-installatie reeds jaren binnen de inrichting aanwezig is en tot het expireren van de vergunning krachtens de Afvalstoffenwet op 28 april 2002 vergund is geweest, aldus appellante.

2.2.1.    Verweerder heeft naar voren gebracht dat de inrichting sinds 28 april 2002 zonder vergunning in werking is en de aan hem ter beoordeling voorgelegde aanvraag betrekking heeft op het krachtens de Wet milieubeheer oprichten en in werking hebben van een inrichting. In het onderhavige geval kan niet aan de in de Integrale nota LPG genoemde minimale externe veiligheidsafstanden voor een nieuwe situatie worden voldaan, zodat de aangevraagde vergunning terecht is geweigerd, aldus verweerder.

2.2.2.    Bij de beoordeling van de bij de opslag en verkoop van LPG in acht te nemen externe veiligheidsafstanden heeft verweerder ter invulling van de hem toekomende beoordelingsvrijheid de Integrale nota LPG tot uitgangspunt genomen. In deze nota zijn afstanden vermeld die dienen te worden aangehouden tussen een LPG-installatie en woningen en objecten categorie I en II. Uit de Integrale nota LPG volgt, dat indien de afstand van een opstelplaats van een tankwagen dan wel het vulpunt van een LPG-installatie tot bijzondere objecten categorie I minder dan 30 meter bedraagt en tot (incidentele) woonbebouwing minder dan 80 meter, de vergunning voor een nieuwe situatie moet worden geweigerd.

   Voor de vraag of er sprake is van een nieuwe situatie in de zin van de Integrale nota LPG, is, anders dan verweerder meent, niet bepalend of er sprake is van een oprichtingssituatie in de zin van de Wet milieubeheer, maar of het feitelijk een nieuwe situatie betreft; niet bepalend is dat er een hiaat zit (waarvoor appellante een verklaring heeft aangevoerd) tussen de gelding van de vorige vergunning krachtens de Afvalstoffenwet en de aangevraagde nieuwe vergunning krachtens de Wet milieubeheer.

   Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is de LPG-installatie binnen de inrichting feitelijk sinds 1979 aanwezig. Sedertdien is deze op 20 juli 1979 vergunde installatie niet gewijzigd dan wel verplaatst. De Voorzitter overweegt dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit er in het onderhavige geval dan ook geen sprake was van een nieuwe situatie in de zin van de Integrale nota LPG. Hierom acht hij de door verweerder gegeven motivering, welke aan de weigering om vergunning te verlenen ten grondslag heeft gelegen, niet deugdelijk. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.3.    De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.4.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens in het beroepschrift naar voren is gebracht behoeft geen bespreking.

2.5.    Gelet op het voorgaande wijst de Voorzitter het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af. Gezien de uitkomst van dit geding ziet de Voorzitter wel aanleiding de gemeente Didam te gelasten ook het griffierecht te vergoeden dat appellante in verband met het verzoek heeft betaald.

2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Didam van 15 juni 2004;

III.    wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Didam in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 966,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Didam te worden betaald aan appellante;

V.    gelast dat de gemeente Didam aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en het verzoek betaalde griffierecht (€ 546,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt    w.g. Sparreboom

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2004

195-375.