Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR6409

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-11-2004
Datum publicatie
24-11-2004
Zaaknummer
200408820/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2004 heeft de Verenigde Vergadering van het Zuiveringsschap Hollandse Eilanden en Waarden (hierna: de Verenigde Vergadering) onder verwijzing naar het desbetreffende advies van de Commissie voor het onderzoek van de geloofsbrieven van 27 oktober 2004 geweigerd appellant als lid van de Algemene Vergadering van het Waterschap Hollandse Delta toe te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408820/1.

Datum uitspraak: 10 november 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de Verenigde Vergadering van het Zuiveringsschap Hollandse Eilanden en Waarden,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2004 heeft de Verenigde Vergadering van het Zuiveringsschap Hollandse Eilanden en Waarden (hierna: de Verenigde Vergadering) onder verwijzing naar het desbetreffende advies van de Commissie voor het onderzoek van de geloofsbrieven van 27 oktober 2004 geweigerd appellant als lid van de Algemene Vergadering van het Waterschap Hollandse Delta toe te laten.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 oktober 2004, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 1 november 2004.

Bij brief van 3 november 2004 heeft de Verenigde Vergadering nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2004, waar appellant in persoon en de Verenigde Vergadering, vertegenwoordigd door mr. E.J. Daalder, advocaat te Den Haag, mr. W.H. Dingemans en ir. J. Boeve, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De Verenigde Vergadering heeft het besluit van 28 oktober 2004 genomen, omdat het stembureau aan haar te kennen heeft gegeven dat ten aanzien van appellant geen sprake is van een geldige kandidaatstelling en hij mitsdien ten onrechte aan de verkiezingen heeft deelgenomen.

2.1.1.    Appellant betoogt dat het de Verenigde Vergadering ingevolge artikel 53, tweede lid, van het Zuid-Hollands Kiesreglement Waterschappen (hierna: het Kiesreglement) bij de beslissing of een lid wordt toegelaten niet is toegestaan alsnog de geldigheid van de kandidaatstelling te onderzoeken.

2.1.2.    Ingevolge het eerste lid van dat artikel onderzoekt het Algemeen Bestuur de geloofsbrief en beslist het of de benoemde als lid wordt toegelaten. Daarbij gaat het na, of de benoemde aan de vereisten voor het lidmaatschap voldoet en geen met het lidmaatschap onverenigbare betrekking vervult en beslist het omtrent de geschillen, welke met betrekking tot de geloofsbrief of de verkiezing zelf rijzen.

   Ingevolge het tweede lid strekt het onderzoek van de geloofsbrief zich niet uit tot de geldigheid van de opgaven tot kandidaatstelling.

   Ingevolge artikel 61, eerste lid geeft de voorzitter van het waterschap, indien het Algemeen Bestuur besluit tot niet-toelating van één of meer leden wegens de ongeldigheid van de stemming, terstond nadat het besluit onherroepelijk is geworden, daarvan onverwijld kennis aan het Dagelijks Bestuur.

   Ingevolge het tweede lid, voorzover thans van belang, vindt, zo spoedig mogelijk nadat deze kennisgeving is ontvangen, een nieuwe stemming plaats en wordt de uitslag van de verkiezing opnieuw vastgesteld.

2.1.3.    Ingevolge hoofdstuk 4 en 5 van het Kiesreglement vindt, alvorens een verkiezing van de leden van de Algemene Vergadering wordt gehouden, de kandidaatstelling plaats en beslist het stembureau over de geldigheid van de in dat kader gedane opgaven tot kandidaatstelling. Tegen deze besluiten staat ingevolge artikel 66, eerste lid, aanhef en onder a, van het Kiesreglement, gelezen in verbinding met artikel 30a van de Waterschapswet, beroep open bij de Afdeling. De stemming geschiedt over de kandidaten, van wie de namen voorkomen op de onherroepelijk geldig verklaarde opgaven tot kandidaatstelling.

   Artikel 53, tweede lid, van het Kiesreglement, ingevolge welke bepaling het onderzoek van de geloofsbrief zich niet uitstrekt tot de geldigheid van de opgaven tot kandidaatstelling, dient in dat licht te worden gelezen.

2.1.4.    Het stembureau heeft op 2 juli 2004 de kandidaatstelling van appellant goedgekeurd; tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend. Door aan de weigering appellant toe te laten ten grondslag te leggen dat diens kandidaatstelling ongeldig was, heeft de Verenigde Vergadering in strijd gehandeld met artikel 53, tweede lid, van het Kiesreglement. Dat het stembureau tijdens een openbare zitting op 23 september 2004 op basis van nieuw gebleken feiten heeft vastgesteld dat het de kandidaatstelling van appellant ten onrechte geldig heeft verklaard, maakt dat niet anders.

2.2.    Het beroep is gegrond. Het besluit van 28 oktober 2004 dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding op hierna te melden wijze in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.2.1.    Blijkens het proces-verbaal van de openbare zitting van het stembureau op 23 september 2004 is medio die maand aan het stembureau bekend geworden dat de door appellant ingediende opgave tot kandidaatstelling niet is ondertekend door tenminste tien personen die bevoegd zijn tot ondersteuning daarvan, omdat, aldus het desbetreffende advies van de Commissie voor het onderzoek van de geloofsbrieven, appellant handtekeningen heeft nagemaakt, dan wel nagetekend, en handtekeningen op de formulieren heeft geplaatst van mensen die te kennen hebben gegeven nooit getekend te hebben.

   Appellant heeft in een open brief van 24 september 2004 toegegeven dat hij ten aanzien van zijn kandidaatstelling onjuist heeft gehandeld. Dat ten aanzien van één of meer kandidaten onregelmatigheden waren geconstateerd, is al voor de verkiezingen in de publiciteit gekomen, echter zonder dat het in alle gevallen duidelijk was, welke kandidaat of kandidaten het betrof.

2.2.2.    Blijkens de namens de Verenigde Vergadering ter zitting van de Afdeling gegeven toelichting heeft zij op basis van hetgeen haar gebleken is omtrent het verloop van de verkiezingen in Kiesdistrict Oost voor de categorie gebouwd, onder meer geconstateerd dat niet kan worden uitgesloten dat niet alle kiesgerechtigden ten tijde van het uitbrengen van hun stem op de hoogte waren van de door het stembureau vastgestelde onregelmatigheden, noch dat de uitkomsten van het verrichte onderzoek en hetgeen daaromtrent op dat moment al dan niet bekend is geworden bij de kiesgerechtigden, bij hen tot verwarring heeft geleid.

   Gesteld voor de vraag of die situatie het nemen van maatregelen vergde, heeft de Verenigde Vergadering blijkens de toelichting ter zitting uit een oogpunt van integere democratische bestuursvoering betekenis gehecht aan de aanspraak van de kiesgerechtigden om, nadat de verkiezingen hebben plaatsgevonden, niet alsnog in het ongewisse te geraken omtrent de rechtmatigheid van de kandidatenlijst, op basis waarvan zij hun kiesrecht hebben uitgeoefend. Dat de Verenigde Vergadering vervolgens heeft gekozen voor een maatregel die zich blijkens hetgeen hiervoor is overwogen niet verdraagt met artikel 53, tweede lid, van het Kiesreglement, doet aan de houdbaarheid in rechte van dit onderliggende oordeel niet af.    

   Uit het vorenstaande vloeit voort dat in het Kiesdistrict Oost, categorie gebouwd, geen sprake is geweest van betrouwbare verkiezingen, waarbij het vrijelijk tot uitdrukking brengen van de wil van de kiezers was gewaarborgd. Gelet hierop en uitgaande van het oordeel van de Verenigde Vergadering dat in deze situatie niet berust mag worden, dient de stemming in het Kiesdistrict Oost, categorie gebouwd, ongeldig te worden verklaard.

2.2.3.    Ingevolge artikel 61 van het Kiesreglement vindt bij niet-toelating van één of meer leden wegens ongeldigheid van de stemming een nieuwe stemming plaats en wordt de uitslag van de verkiezing opnieuw vastgesteld. Deze nieuwe stemming vindt plaats op basis van dezelfde kandidatenlijsten als de eerste. Nu de ernstige risico's voor verwarring en onzekerheid bij de kiesgerechtigden hun oorsprong vinden in hetgeen bekend is geworden omtrent de kandidaatstelling en bij enkele herstemming op basis van diezelfde kandidaatstelling zich derhalve vergelijkbare risico's zullen voordoen, kan daarmee in dit geval niet worden volstaan. In dit bijzondere geval zullen in het Kiesdistrict Oost voor de categorie gebouwd nieuwe verkiezingen moeten worden gehouden. In dit kader zal ook de kandidaatstellingsprocedure, bedoeld in hoofdstuk 4 en 5 van het Kiesreglement, opnieuw moeten worden doorlopen.

2.2.4.    Bij besluit van 28 oktober 2004 zijn - voorzover thans van belang - de benoemden A.J. Herweijer, L.A. van Gelder, J. Lagendijk en H. van der Jagt wel als lid van de Verenigde Vergadering toegelaten. Hetgeen hiervoor ten aanzien van de geconstateerde onregelmatigheden en het bestaan van verwarring bij de kiezers is overwogen, betreft uitsluitend appellant, zodat dit voor hen zonder gevolgen moet blijven. Anders dan de Kieswet bevat de Waterschapswet, noch het Kiesreglement, hiervoor een uitdrukkelijke voorziening. Redelijke wetstoepassing brengt dan met zich dat bij de vaststelling van de uitslag van de nieuwe verkiezingen overeenkomstige toepassing zal moeten worden gegeven aan artikel V6, derde lid, van de Kieswet. Dit betekent dat bij deze vaststelling degenen die reeds als lid zijn toegelaten, gekozen blijven verklaard, ook indien de uitkomst van de nieuwe verkiezingen mocht zijn dat dit ten onrechte is geschied. Tegenover hen vallen dan af de kandidaten die, indien de toegelatenen niet gekozen waren, gekozen zouden zijn.

2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.4.    Een en ander geeft aanleiding tot na te melden beslissing.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de Verenigde Vergadering van het Zuiveringsschap Hollandse Eilanden en Waarden van 28 oktober 2004, voorzover het betrekking heeft op het Kiesdistrict Oost, categorie gebouwd;

III.    verklaart de stemming voor het Kiesdistrict Oost, categorie gebouwd, ongeldig;

IV.    bepaalt dat hiervan mededeling wordt gedaan aan het Dagelijks Bestuur;

V.    verstaat dat voor het Kiesdistrict Oost, categorie gebouwd, opnieuw verkiezingen zullen worden gehouden in voege als hiervoor vermeld;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII.    gelast dat het Zuiveringsschap Hollandse Eilanden en Waarden aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van ? 136,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb    w.g. Van Loon

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2004

284-435.