Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR6297

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-11-2004
Datum publicatie
24-11-2004
Zaaknummer
200403656/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 maart 2004, kenmerk 2725, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een stoeterij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 24 maart 2004 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2004/1615
JM 2005/45
JOM 2006/1201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200403656/1.

Datum uitspraak: 24 november 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend dan wel gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Elburg,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2004, kenmerk 2725, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een stoeterij op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 24 maart 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 30 april 2004, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 3 mei 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 15 juli 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2004, waar appellanten, waarvan [een der appellanten] in persoon en bijgestaan door mr. A. Kos, advocaat te Barneveld, en verweerder, vertegenwoordigd door W.J. Grijssen en R.J. Schipper, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder daar als partij gehoord, vertegenwoordigd door W. Ouwerkerk, gemachtigde.

2.    Overwegingen

2.1.    De bij het bestreden besluit verleende vergunning heeft betrekking op een stoeterij voor het houden van 40 volwassen pony’s ouder dan 3 jaar en 20 pony’s in de opfok jonger dan 3 jaar.

2.2.    Verweerder heeft gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is wat betreft de grond inzake de door de inrichting te veroorzaken indirecte geluidhinder op de Grevensweg en de grond dat verweerder niet onverwijld de datum van ontvangst op het aanvraagformulier heeft aangetekend.

   Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Appellanten hebben de grond dat verweerder niet onverwijld de datum van ontvangst op het aanvraagformulier heeft aangetekend niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

   Anders dan verweerder heeft gesteld vindt de grond inzake de door de inrichting te veroorzaken indirecte geluidhinder op de Grevensweg wel zijn grondslag in de bedenkingen waarin immers is aangevoerd dat een onacceptabele hoeveelheid geluidoverlast zal ontstaan door verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Het beroep is daarom in zoverre ontvankelijk.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4.    Appellanten vrezen voor onaanvaardbare stankhinder. Hiertoe hebben zij aangevoerd dat verweerder in de considerans van het bestreden besluit weliswaar is ingegaan op hun bedenking op dit punt, maar in dezelfde considerans ten onrechte overweegt dat op een afstand van 50 meter van de tot de inrichting behorende mestplaat geen voor stank gevoelige objecten zijn gelegen. Dit is volgens appellanten wel het geval.

   De Afdeling stelt vast dat verweerder in de considerans van het bestreden besluit bij de behandeling van de door appellanten ingebrachte bedenkingen terzake van door de inrichting te veroorzaken onaanvaardbare stankhinder tot de conclusie komt, dat binnen een afstand van 50 meter vanaf de tot inrichting behorende mestplaat voor stank gevoelige objecten zijn gelegen. Uit de considerans van het bestreden besluit volgt voorts dat in overleg met de aanvrager de situering van de mestplaat zodanig is gewijzigd, dat alsnog aan de door verweerder gehanteerde afstand van 50 meter, welke afstand door appellanten niet is bestreden, wordt voldaan. Deze wijziging is aangegeven op de tot de aanvraag behorende overzichtstekening nr. 02.134.100b, welke blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaakt van de vergunning.

   Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van onaanvaardbare stankhinder.

2.5.    Appellanten stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de aangevraagde in- en uitrit aan de Grevensweg heeft vergund. Het gebruik van deze in- en uitrit leidt volgens appellanten tot onaanvaardbare geluidoverlast en milieuhinder, nu bezoekers van de inrichting door het gebruik van deze in- en uitrit een andere rijroute zullen kiezen dan waarvan in het bestreden besluit is uitgegaan. Verweerder heeft volgens appellanten ten onrechte nagelaten in het bestreden besluit een voorschrift terzake van de te volgen rijroute opgenomen. Bovendien is er volgens appellanten een reeds bestaande ontsluitingsmogelijkheid voor de inrichting aan de zijde van Klarenbeek, welke veel minder hinder met zich brengt.

2.5.1.    Bij de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken indirecte geluidhinder heeft verweerder de circulaire 'Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting' van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996 (hierna: de circulaire) als uitgangspunt genomen. In deze circulaire wordt een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde en een maximale grenswaarde van 65 dB(A) gesteld voor de geluidbelasting gedurende de dagperiode op de gevels van woningen.

   In het bestreden besluit is verweerder uitgegaan van de in de aanvraag opgenomen rijroute. Volgens deze route verloopt het verkeer van en naar de inrichting via de Grevensweg en wordt het ontsloten naar de Zuiderzeestraatweg West. Van de inrichting naar deze ontsluiting worden volgens verweerder geen woningen van derden gepasseerd en wordt het verkeer opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Ook overigens is er volgens verweerder geen aanleiding om de aangevraagde in- en uitrit te weigeren.

2.5.2.    In de aanvraag en de daarbij behorende stukken, welke blijkens het dictum van het bestreden besluit daarvan deel uitmaken, is aangegeven welke rijroute het verkeer van en naar de inrichting aflegt. Uit het stelsel van de Wet milieubeheer volgt dat verweerder dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Uit het tot de aanvraag behorende akoestisch rapport blijkt dat bij de aanvraagde rijroute kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) uit de circulaire. Dit is door appellanten niet bestreden.

   Voorzover appellanten hebben betoogd dat bij hun woningen indirecte geluidhinder zal optreden doordat het verkeer van en naar de inrichting gebruik zal maken van een andere rijroute dan is aangevraagd en vergund, is de Afdeling van oordeel dat, wat hier verder van zij, gelet op het verhandelde ter zitting en mede gezien het aantal en soort aangevraagde en vergunde vervoersbewegingen, verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor onaanvaardbare indirecte geluidhinder bij de woningen van appellanten niet behoeft te worden gevreesd.

   Voorzover appellanten nog hebben gesteld dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten een voorschrift aan de vergunning te verbinden waarin de voor het verkeer van en naar de inrichting te volgen rijroute is aangegeven, overweegt de Afdeling dat dit betrekking heeft op het gebruik van de openbare weg door bezoekers van de inrichting. De maatregelen die vergunninghouder zou moeten treffen om te kunnen voldoen aan het door appellanten voorgestane voorschrift behoren echter niet tot zijn bevoegdheid, omdat naar moet worden aangenomen het gaat om maatregelen in het kader van de wegenverkeerswetgeving dan wel het gebruik van bevoegdheden ter zake de openbare orde. Nu het treffen van dergelijke maatregelen buiten de reikwijdte van de Wet milieubeheer is gelegen, heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien een dergelijk voorschrift aan de vergunning te verbinden.

   Dit beroepsonderdeel faalt.

2.6.    Voorts betogen appellanten dat het gebruik van de aangevraagde en vergunde in- en uitrit aan de Grevensweg leidt tot onaanvaardbare verkeersoverlast op deze weg.

   De Afdeling stelt voorop dat de wegenverkeerswetgeving het primaire toetsingskader biedt voor de beoordeling van verkeersoverlast. In het kader van vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer blijft echter ruimte voor een aanvullende milieuhygiënische toets voorzover het gaat om de verkeersaantrekkende werking van de inrichting. Gezien de vergunde bedrijfsvoering, waaronder het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van zodanige verkeersoverlast dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of tot het stellen van nadere voorschriften. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.7.    Daarnaast stellen appellanten zich op het standpunt dat het gebruik van de in- en uitrit aan de Grevensweg leidt tot verkeersonveilige situaties in de omgeving van de inrichting en dat de Grevensweg niet geschikt is voor de aangevraagde en vergunde bedrijfsactiviteiten. Bovendien is volgens appellanten de Grevensweg particulier eigendom en heeft de eigenaar geen toestemming gegeven om van zijn grond gebruik te maken.

   Deze beroepsgronden hebben geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en kunnen reeds om die reden niet slagen.

2.8.    Het beroep is, voorzover ontvankelijk, ongegrond.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het de grond betreft dat verweerder niet onverwijld de datum van ontvangst op het aanvraagformulier heeft aangetekend;

II.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis    w.g. Van Hardeveld

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2004

312-443.