Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR6295

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-11-2004
Datum publicatie
24-11-2004
Zaaknummer
200400562/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 april 2003 heeft de gemeenteraad van Venray, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 april 2003, het bestemmingsplan "Gouden Leeuw" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2005, 297 met annotatie van J. Struiksma
Module Horeca 2004/1371
Module Horeca 2004/1512
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200400562/1.

Datum uitspraak: 24 november 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2003 heeft de gemeenteraad van Venray, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 april 2003, het bestemmingsplan "Gouden Leeuw" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 25 november 2003, kenmerk 2003/50798, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 20 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 21 januari 2004, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 23 maart 2004 meegedeeld dat geen verweerschrift wordt uitgebracht.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 9 juni 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 november 2004, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. I.M.D. Vossen, ambtenaar van de provincie, is verschenen.

Voorts is de raad van de gemeente Venray, vertegenwoordigd door F.H. Aarts en F.M.A. Hendrikx, ambtenaren van de gemeente, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2.    Het plangebied is gelegen aan de zuidzijde van het centrumgebied van Venray. De begrenzing wordt gevormd door de grenzen van de achtertuinen van de woningen gelegen aan de Langstraat in het zuidoosten, door de Langeweg in het zuidwesten, exclusief de kavels van bestaande woningen, door de grenzen van de achtertuinen van de woningen gelegen aan de Kempweg in het noordwesten en in het noordoosten door de woningencomplexen met detailhandel Gouden Leeuw/Hensenius. Met het plan is beoogd een hoogwaardige invulling van het gebied te verwezenlijken met gevarieerde functies als wonen, werken, groenvoorzieningen en ondergronds parkeren.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan gedeeltelijk goedgekeurd.

2.3.    Appellante is eigenaresse van een discotheek en een café-bar aan de [locatie], grenzend aan het plangebied. Zij stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voor zover het betreft de gronden gelegen binnen een cirkel van 50 meter van haar pand. De exploitatie van de discotheek zal volgens haar in dit deel van het plangebied ten koste gaan van een goed woon- en leefklimaat, mede door de indirecte hinder ten gevolge van komende en gaande bezoekers. Tevens vreest appellante door de woonbestemming in haar bedrijfsvoering te zullen worden beperkt. Appellante voert aan dat de plangrens ter plaatse van haar pand willekeurig is bepaald, omdat haar pand ten onrechte niet in het plangebied is opgenomen. Zij stelt dat zij ten onrechte onvoldoende is betrokken bij de voorbereiding van het plan. Tenslotte betwist appellante de economische uitvoerbaarheid van het plan, indien de woningen binnen de hindercirkel van haar pand niet kunnen worden verwezenlijkt.

2.4.    De gemeenteraad heeft aan de gronden, grenzend aan de kavels van de panden aan de Langstraat, de bestemming “Woondoeleinden 1” toegekend. Deze gronden zijn blijkens de planvoorschriften primair bestemd voor het wonen. De gemeenteraad heeft voorts op de plankaarten een hindercirkel aangegeven met een straal van 30 meter vanaf de achtergevel van het pand van appellante. In artikel 5, derde lid, onder e, van de planvoorschriften heeft hij bepaald dat op de gronden gelegen binnen de hindercirkel niet eerder woningen mogen worden gebouwd dan nadat de hinder veroorzakende inrichting is verdwenen of dan nadat is aangetoond dat er van hinder geen sprake is. Binnen de hindercirkel zijn, blijkens de aanduiding op plankaart B, voorts commerciële functies toegestaan.

2.5.    Verweerder heeft het gedeelte van het plan, gelegen binnen de op de plankaarten aangegeven hindercirkel, in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat niet is verzekerd, dat geen woningbouw tot stand komt op gronden waarop dit uit een oogpunt van goed woonklimaat niet aanvaardbaar is. Voorts is volgens hem niet verzekerd dat de horeca-inrichting van appellante en aangrenzende horeca-inrichtingen niet op enig moment op onaanvaardbare wijze in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat vooralsnog niet aannemelijk is dat de hinder veroorzakende inrichting(en) binnen de planperiode is (zijn) verdwenen, dan wel dat de hinder zodanig kan worden gereduceerd dat van hinder in feite geen sprake meer is. Gelet hierop heeft verweerder goedkeuring onthouden aan de op de plankaarten met een rode omlijning aangegeven plangedeelten met de bestemming “Woondoeleinden 1”, respectievelijk de aanduidingen “geprojecteerde grondgebonden bebouwing, verblijfsgebied en tuinen” voor zover gelegen binnen de op de plankaarten aangegeven hindercirkel. Voorts heeft hij goedkeuring onthouden aan artikel 5, derde lid, onder e, van de planvoorschriften. Verweerder heeft voorts goedkeuring onthouden aan het plandeel met de bestemming “Uit te werken doeleinden”. Voor het overige heeft hij het plan goedgekeurd.

2.6.    De Afdeling stelt voorop dat haar niet is gebleken dat appellante onvoldoende zou zijn betrokken bij de voorbereiding van het bestemmingsplan. Uit de stukken blijkt dat met betrekking tot het project Gouden Leeuw zes informatieavonden zijn georganiseerd. Verder is een inspraakavond georganiseerd naar aanleiding van het voorontwerp-bestemmingsplan. Appellante is voorts in de gelegenheid gesteld haar zienswijzen en bedenkingen in te dienen en mondeling toe te lichten. Niet is gebleken dat de gemeenteraad en verweerder de tegen het ontwerp-plan en het vastgestelde plan ingebrachte zienswijzen en bedenkingen niet in hun besluitvorming hebben betrokken. Voorts is niet gebleken dat het plan of het bestreden besluit in zoverre anderszins onzorgvuldig tot stand is gekomen of dat in de gevolgde procedure in strijd met de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de Algemene wet bestuursrecht is gehandeld.

2.6.1.    De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de economische uitvoerbaarheid van het plan niet langer is verzekerd als gevolg van de onthouding van goedkeuring door verweerder aan de bestemming “Woondoeleinden 1” voor zover liggend op de gronden binnen de hindercirkel. Zij overweegt daartoe dat door de onthouding van goedkeuring weliswaar geen woningen op deze gronden kunnen worden gebouwd, maar dat nog wel bebouwing voor commerciële functies kan worden verwezenlijkt.

2.6.2.    Gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening komt de gemeenteraad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan.

Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de gemeenteraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

De Afdeling is, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, van oordeel dat in dit geval verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat hij deze ook overigens terecht heeft goedgekeurd.

2.6.3.    Op de horeca-inrichtingen van appellante is het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer van toepassing (hierna: het Besluit). Voor zover appellante heeft gesteld dat geluidhinder door komende en vertrekkende bezoekers van haar pand het ontstaan van een goed woonklimaat in de nieuwe woonwijk in de weg zal staan, overweegt de Afdeling dat in voorschrift 3.4.2. in de bijlage behorende bij voornoemd Besluit is bepaald dat degene die de inrichting drijft zodanige maatregelen en voorzieningen treft dat hinder, veroorzaakt door komende en vertrekkende bezoekers, wordt voorkomen dan wel, voor zover dit niet mogelijk is, zoveel mogelijk wordt beperkt. Voorts kan het bevoegd gezag op grond van voorschrift 4.1.4. nadere eisen stellen, teneinde te bereiken dat aan eerdergenoemd voorschrift wordt voldaan. Deze nadere eisen kunnen onder meer betrekking hebben op gedragsregels die in acht moeten worden genomen, waaronder regels ten aanzien van aan- en afrijdend verkeer en komende en gaande bezoekers. Niet is gebleken dat appellante geen maatregelen of voorzieningen als bedoeld in voorschrift 3.4.2. zou kunnen treffen. De mate waarin dit voorschrift of eventueel ter zake gestelde nadere eisen worden nageleefd is een kwestie van handhaving van de openbare orde en als zodanig hier niet in geding.

2.6.4.    Het plan maakt, na de onthouding van goedkeuring door verweerder, de bouw van woningen mogelijk op een afstand van 30 meter van het pand van appellante. Verweerder heeft zich bij het berekenen van deze afstand gebaseerd op de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2001 (hierna: de Brochure). De in de Brochure aanbevolen afstand tussen een discotheek en woningen in een rustige woonwijk bedraagt 50 meter. Verweerder is, in navolging van de gemeenteraad, afgeweken van deze aanbevolen afstand. Nu de afstanden in de Brochure louter indicatief zijn, is afwijking hiervan in beginsel mogelijk, met dien verstande dat een afwijking dient te worden gemotiveerd. Blijkens de stukken is verweerder ervan uitgegaan dat het plangebied, gelet op de vermenging van stedelijke functies aldaar, niet is te karakteriseren als een rustige woonwijk, maar als een gemengd gebied. In dat geval kan in beginsel de afstand van 30 meter worden aangehouden. Blijkens het deskundigenbericht zal, bij woningbouw op een afstand van 30 meter van de bestaande horeca-inrichtingen aan de Langstraat, waaronder de inrichting van appellante, de geluidsgrenswaarde van 50 dB(A) ter plaatse van deze woningen echter met 7 dB(A) worden overschreden. Ter zitting heeft verweerder de aandacht gevestigd op het feit dat op korte termijn een aanvraag om bouwvergunning in behandeling zal worden genomen door het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van de bouw van twaalf appartementen aan de Langstraat. Deze appartementen, waarvoor op grond van het geldende bestemmingsplan “Centrum, 2e herziening” een rechtstreekse bouwtitel bestaat, zijn voorzien op een afstand van ongeveer 15 meter van de inrichting van appellante. Appellante zal, teneinde te kunnen blijven voldoen aan de geluidsgrenswaarde van 50 dB(A), naar aanleiding van deze ontwikkeling geluidbeperkende maatregelen moeten treffen. Volgens verweerder vindt de beperking van de bedrijfsvoering van appellante aldus niet zijn oorzaak in het bestreden plan, maar in de komst van de appartementen. Niet is echter onderzocht of de geluidbeperkende maatregelen, die appellante naar aanleiding van de komst van de appartementen zal moeten treffen, eveneens afdoende zullen zijn om in het plangebied een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen of dat daartoe aanvullende maatregelen zullen moeten worden getroffen. De Afdeling neemt hierbij mede in aanmerking dat in het geval van horeca-activiteiten, zoals van appellante, de avond- en de nachtperiode maatgevend zijn, voor welke perioden ingevolge het Besluit geluidsgrenswaarden van respectievelijk 45 en 40 dB(A) gelden. Gelet hierop heeft verweerder er niet zonder meer van uit mogen gaan dat op een afstand van 30 meter van de horeca-inrichting van appellante een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, zodat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en genomen. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemmingen “Woondoeleinden 1” en “Woondoeleinden 2”, respectievelijk de aanduidingen “geprojecteerde grondgebonden bebouwing, geprojecteerde gestapelde bebouwing, verblijfsgebied en tuinen”, nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende en als zodanig gewaarmerkte kaarten, wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 25 november 2003, kenmerk 2003/50798, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemmingen "Woondoeleinden 1" en “Woondoeleinden 2” respectievelijk de aanduidingen “geprojecteerde grondgebonden bebouwing, geprojecteerde gestapelde bebouwing, verblijfsgebied en tuinen”, nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende en als zodanig gewaarmerkte kaarten;

III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 483,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de provincie Limburg te worden betaald aan appellante;

IV.    gelast dat de provincie Limburg aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton    w.g. Hanrath

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2004

392.