Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR6280

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2004
Datum publicatie
24-11-2004
Zaaknummer
200408612/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2004 heeft de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW) de aan verzoekster verleende erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen voor de categorie voertuigen tot en met 3500 kg voor de duur van negen weken ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408612/2.

Datum uitspraak: 18 november 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 29 september 2004 in het geding tussen:

verzoekster

en

de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2004 heeft de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW) de aan verzoekster verleende erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen voor de categorie voertuigen tot en met 3500 kg voor de duur van negen weken ingetrokken.

Bij besluit van 13 augustus 2004 heeft de RDW het daartegen door verzoekster gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 september 2004, verzonden op 30 september 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door verzoekster ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft verzoekster bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 oktober 2004, hoger beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 november 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. D.A.J. Sturhoofd, advocaat te Amsterdam, en de RDW, vertegenwoordigd door mr. R. Bal, werkzaam bij de RDW, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    De intrekking is gebaseerd op de constatering van de RDW dat uit de ter zake beschikbare gegevens blijkt dat een KIA met het kenteken [A], waarvoor op 14 november 2003 een keuringsrapport is afgegeven, niet op die datum is afgemeld, maar dat in plaats daarvan een Suzuki met het kenteken [B] is afgemeld.

2.3.    Appellant bestrijdt de juistheid van die constatering. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de Suzuki met het genoemde kenteken eerst op 18 november 2003 is gekeurd en afgemeld. Deze Suzuki was bij appellante niet eerder gekeurd of in onderhoud geweest en de voor afmelding noodzakelijke gegevens, waaronder naast het kenteken ook het chassisnummer, waren bij haar niet eerder dan op die datum bekend. Appellant heeft deze stellingen onder meer gestaafd met een verklaring van de eigenaresse van de Suzuki.

2.4.    De Voorzitter is van oordeel dat de thans voorliggende gegevens geen uitsluitsel bieden omtrent de vraag of sprake is geweest van een overtreding door verzoekster van de ter zake van het uitvoeren van periodieke keuringen geldende voorschriften die intrekking van de ter zake verleende erkenning rechtvaardigde. De van de zijde van de RDW geuite veronderstelling dat wellicht per ongeluk op 14 november 2003 een verkeerd kenteken is opgegeven, waarna de daarbij behorende afmeldcode is verstrekt, miskent dat naast het kenteken ook het chassisnummer moet worden verstrekt. De beschikbare gegevens laten niet zien welk chassisnummer bij de afmelding is opgegeven.

2.5.    De beantwoording van de hiervoor vermelde vraag vergt nader onderzoek, waarvoor de voorlopige voorzieningenprocedure zich niet leent. Gelet hierop acht de Voorzitter bij afweging van de betrokken belangen, waaronder in het bijzonder het belang van een juiste naleving van de toepasselijke regelgeving door de RDW tegenover de bedrijfseconomische belangen van verzoekster, die laatste belangen in dit geval voldoende spoedeisend en zwaarwegend om, in afwachting van de behandeling door de Afdeling, de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.6.    De RDW dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer van 6 april 2004, VIZ2004/3039, en 13 augustus 2004, VIZ 2004/6242/4784;

II.    veroordeelt de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Dienst Wegverkeer te worden betaald aan verzoekster;

III.    gelast dat de Dienst Wegverkeer aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 409,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.Z.C. Koutstaal, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Koutstaal

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2004

383.