Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR6264

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-11-2004
Datum publicatie
24-11-2004
Zaaknummer
200408030/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juli 2004, no. DGL/04.U01562, heeft verweerder de Aanwijzing luchtvaartterrein Rotterdam gewijzigd in verband met de aanpassing van de openingstijd en het opnemen van enkele uitzonderingen op de nachtsluiting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408030/1.

Datum uitspraak: 16 november 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1.    de Vereniging Bewonersgroep tegen Vliegtuigoverlast, gevestigd te Rotterdam, en andere rechtspersonen,

2.    het college van burgemeester en wethouders van Berkel en Rodenrijs,

3.    het college van burgemeester en wethouders van Bergschenhoek,

verzoekers,

en

de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2004, no. DGL/04.U01562, heeft verweerder de Aanwijzing luchtvaartterrein Rotterdam gewijzigd in verband met de aanpassing van de openingstijd en het opnemen van enkele uitzonderingen op de nachtsluiting.

Tegen dit besluit hebben onder meer verzoekers bezwaar gemaakt.

Bij brief van 21 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op 22 oktober 2004, hebben verzoekers sub 1 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 30 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 1 oktober 2004, heeft verzoeker sub 2 en bij brief van 4 oktober 2004, ingekomen bij de Raad van State op 5 oktober 2004, heeft verzoeker sub 3 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 oktober 2004, waar verzoekers sub 1, vertegenwoordigd door [voorzitter] van de Vereniging Bewonersgroep tegen Vliegtuigoverlast, bijgestaan door mr. P.H. de Bruin, advocaat te Rotterdam, verzoeker sub 2, vertegenwoordigd door mr. T.I. Dronkers, ambtenaar van de gemeente Berkel en Rodenrijs, verzoeker sub 3 door mr. T.I. Dronkers, voornoemd, en P.J. van der Hulle, ambtenaar van de gemeente Bergschenhoek, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. B.A.M. Simonis, drs. J.M. Willemsen en ir. J.F.M.M. de Vrede, ambtenaren van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, bijgestaan door mr. M. Rus-van der Velde, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Voorts zijn daar gehoord Rotterdam Airport B.V., vertegenwoordigd door ir. S.M. van der Kleij, gemachtigde, bijgestaan door mr. R.D. Rischen, advocaat te Rotterdam, en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, vertegenwoordigd door H.G. Elmendorp, ambtenaar van de gemeente, en ir. M.C. Bulthuis, gemachtigde.

2.    Overwegingen

2.1.    Het besluit van 14 juli 2004 voorziet in een wijziging van het aanwijzingsbesluit van 17 oktober 2001, no. DGL/L 01.421852, en heeft betrekking op een verruiming van de openingstijd van Rotterdam Airport in de late avond voor landingen met uitsluitend zogenoemde stille hoofdstuk 3-vliegtuigen van 23.00 tot 24.00 uur plaatselijke tijd, met een uitloop tot maximaal 01.00 uur voor eventuele vertraagde vluchten die volgens schema vóór 24.00 uur hadden moeten landen (de zogeheten extensieregeling). Voorts bevat het besluit enkele uitzonderingen op de nachtsluiting voor bepaalde bijzondere categorieën vluchten.

2.2.    Verzoekers kunnen zich op de hierna weergegeven gronden met het  besluit van 14 juli 2004 niet verenigen en hebben de Voorzitter verzocht dit besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen, voorzover het betreft de verruiming van de openingstijd van 23.00 tot 24.00 uur en de zogenoemde extensieregeling.

2.3.    Verzoekers sub 1 stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de procedure zoals vastgelegd in de artikelen 18, tweede lid, tot en met 26 van de Luchtvaartwet niet heeft gevolgd.

   Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Luchtvaartwet kan de Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een aanwijzing te allen tijde wijzigen.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voorzover hier van belang, zijn de artikelen 18, tweede lid, tot en met 26 van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de wijziging van een aanwijzing indien het betreft:

a.  een vergroting van het luchtvaartterrein;

b.  een wijziging in de ligging van banen, een vergroting van lengte of breedte van bestaande banen, indien zulks een vergroting van een of meer geluidszones ten gevolge heeft;

c.  een vergroting van een of meer geluidszones om andere dan onder b genoemde redenen.

   Geen van deze situaties doet zich hier voor, zodat de procedure als bedoeld in de artikelen 18, tweede lid, tot en met 26 van de Luchtvaartwet niet behoefde te worden gevolgd. Hetgeen verzoekers sub 1 naar voren hebben gebracht, kan de Voorzitter voorshands niet tot een ander oordeel brengen.    

   In de door verzoekers sub 1 voorts aangevoerde omstandigheid dat verweerder hen ingevolge artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid had moeten stellen hun zienswijze naar voren te brengen, ziet de Voorzitter geen reden een voorlopige voorziening te treffen, nu  blijkens de wetsgeschiedenis eventuele schending van dit voorschrift in beginsel in de bezwaarschriftprocedure kan worden hersteld. Niet is gebleken dat van die herstelmogelijkheid in dit geval geen gebruik zou mogen worden gemaakt.

   Overigens blijkt uit de stukken dat verweerder bij brief van 20 april 2004 van de wethouder Haven, Economie, Werkgelegenheid en Milieu van de gemeente Rotterdam op de hoogte is gebracht van de reactie van de Vereniging Bewonersgroep tegen Vliegtuigoverlast op het voorstel tot wijziging van het openingsregime van de luchthaven.  

2.4.    Het betoog van verzoekers sub 1 dat aan het besluit van 14 juli 2004 een milieueffectrapportage ten grondslag had moeten worden gelegd, treft geen doel, nu dit besluit geen betrekking heeft op de vaststelling of wijziging van een geluidzone als bedoeld in onderdeel C.6.3. van het Besluit milieueffectrapportage 1994, zoals nadien gewijzigd.

2.5.    Blijkens de toelichting bij het besluit van 14 juli 2004 heeft verweerder de economische belangen en de milieubelangen die gemoeid zijn met de verruiming van de openingstijd tegen elkaar afgewogen.

2.6.    Wat de economische belangen betreft, heeft verweerder zich allereerst gebaseerd op de inhoud en bijlagen van het verzoek van 12 december 2003 van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam en de exploitant van Rotterdam Airport tot wijziging van het openingsregime.

   Uit deze stukken komt naar voren dat sinds het van kracht worden van de aanwijzing van 17 oktober 2001, die onder meer voorzag in een nachtsluiting van 23.00 tot 07.00 uur voor structureel vliegverkeer, enkele luchtvaartmaatschappijen hun activiteiten op Rotterdam Airport hebben gestaakt en voorts een aantal andere maatschappijen, waaronder KLM Cityhopper en Air Berlin, ervan heeft afgezien vanaf deze luchthaven bestemmingen te openen. Deze feiten zijn door verzoekers niet bestreden. Volgens de exploitant stelt verruiming van de openingstijd tot 24.00 uur  luchtvaartmaatschappijen in staat op één dag vaker heen en terug te vliegen, waardoor het voor hen aantrekkelijker wordt vluchten vanaf Rotterdam Airport uit te voeren.

   Voorts heeft verweerder aan zijn besluit ten grondslag gelegd het rapport “Nadere economische analyse van de voorgestelde verruiming van het openingsregime van Rotterdam Airport” van 4 februari 2004, dat door prof. dr. H. Schenk van de Universiteit van Utrecht in opdracht van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam is opgesteld. Blijkens dit rapport is aannemelijk dat het openingsregime, waarop de aanwijzing van 17 oktober 2001 betrekking heeft, een oorzakelijke rol heeft gespeeld in de relatief sterke terugval van de passagiersaantallen. Daarnaast wordt aannemelijk geacht dat een verruiming van het openingsregime op langere termijn van groot belang kan zijn voor de internationaal georiënteerde Rijnmondse economie.

   De Voorzitter is voorshands niet gebleken dat dit rapport zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat verweerder dit niet mede bij zijn besluitvorming had mogen betrekken.

2.7.    Voorzover verzoekers sub 2 en 3, onder verwijzing naar het rapport van prof. Schenk, hebben aangevoerd dat uitbreiding van het aantal vluchten in de avond niet los kan worden gezien van een toename van het aantal vluchten overdag, acht de Voorzitter, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat er binnen de huidige geluidruimte mogelijkheden zijn voor uitbreiding van het aantal vluchten overdag.

2.8.    Wat betreft de milieugevolgen heeft verweerder zich gebaseerd op het rapport “Effecten van een gewijzigd openingsregime van Rotterdam Airport” opgesteld door DCMR Milieudienst Rijnmond in samenwerking met To70 Aviation & Environment en TNO Inro en de aanvullende rapportage van TNO Inro “Schatting toename prevalentie van effecten door vliegtuiggeluid bij verruiming openingstijden Rotterdam Airport volgens variant avond” van 27 oktober 2003.

   In deze rapporten is op jaarbasis uitgegaan van 350 extra landingen tussen 23.00 en 24.00 uur, welk aantal blijkens het verhandelde ter zitting is gebaseerd op een behoeftepeiling bij luchtvaartmaatschappijen. De Voorzitter acht niet aannemelijk gemaakt dat het werkelijke aantal vluchten tussen 23.00 en 24.00 uur veel groter zal zijn, zoals door verzoekers sub 1 is gesteld. Hij acht daarbij van belang dat deze vluchten binnen de bestaande geluidruimte dienen te worden uitgevoerd, waarbij voor de berekening van de totale geluidbelasting vluchten na 23.00 uur tien keer zo zwaar meetellen  als vluchten die overdag plaatsvinden.

   Uit de rapporten komt naar voren dat het aantal slaapgehinderden binnen de 20 Ke contour toeneemt met ongeveer 400 (op een totaal aantal van ongeveer 23.400 volwassenen) en in het gebied binnen de 20 dB(A) Lnight contour met ongeveer 4.300 (op een totaal aantal van ongeveer 225.000 volwassenen).

   In de omstandigheid dat in het bestreden besluit andere aantallen zijn vermeld (20 respectievelijk 200 slaapgehinderden) ziet de Voorzitter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen, nu ter zitting van de zijde van verweerder is verklaard dat hier sprake is van een kennelijke vergissing die bij de beslissing op bezwaar zal worden hersteld. Volgens verweerder is bij de besluitvorming uitgegaan van de cijfers zoals die in genoemde rapporten zijn gepresenteerd en hebben deze ten grondslag gelegen aan de inhoud van zijn besluit, zodat herstel van de vergissing niet tot een ander besluit behoeft te leiden.

   Voorzover verzoekers sub 2 en 3 hebben aangevoerd dat de onderzoeken zijn gebaseerd op verouderde gegevens, omdat bij de vaststelling van het aantal geluidbelaste woningen/inwoners  postcodegegevens uit 1999 zijn gehanteerd, heeft verweerder ter zitting erkend dat binnen de 20 Ke contour met ongeveer 10% te weinig volwassen inwoners is gerekend. De Voorzitter ziet in deze omstandigheid evenwel  geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Hij neemt daarbij in aanmerking dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat op dit punt nader onderzoek zal worden verricht, waarvan de resultaten in de beslissing op bezwaar zullen worden betrokken. Voorts acht de Voorzitter niet aannemelijk gemaakt dat dit nadere onderzoek tot een aanmerkelijk verschil in het aantal slaapgehinderden zal leiden.

   Nu het bestreden besluit geen betrekking heeft op de wijziging of vaststelling van een geluidzone was er geen aanleiding voor het maken van nieuwe geluidhinderberekeningen, zoals verzoekers sub 1 hebben gesteld.

   Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat artikel 3, onder c, van Richtlijn 2002/49/EG, alleen een definitie geeft van het begrip hinder en niet voorschrijft dat in dit geval een enquête had moeten worden uitgevoerd naar de mate van geluidhinder, zoals door verzoekers sub 1 is betoogd. Dit standpunt komt de Voorzitter voorshands niet onjuist voor, nog los van de vraag of deze Richtlijn, gelet op het bepaalde in artikel 3, onder p, op Rotterdam Airport van toepassing is.

   Daarnaast is ter zitting gebleken dat de Gemeentelijke Gezondheidsdienst advies heeft uitgebracht.

2.9.    Uit het besluit komt naar voren dat verweerder in zijn afweging tevens heeft betrokken de vraag in hoeverre binnen de regio draagvlak bestaat voor verruiming van de openingstijden. Verweerder heeft daarbij met name bedoeld de functie van Rotterdam Airport in zijn economische betekenis te verkennen. Het uitgangspunt van verweerder om zich in dit verband niet te beperken tot het draagvlak binnen de stadsregio Rotterdam, maar ook waarde te hechten aan het draagvlak bij verder weg gelegen agglomeraties zoals Den Haag, Zoetermeer en Dordrecht, komt de Voorzitter voorshands niet onjuist voor. Voorts blijkt uit het besluit dat verweerder zich rekenschap heeft gegeven van het feit dat enkele nabij gelegen gemeenten om specifieke redenen niet positief staan tegenover verruiming van de openingstijd.

2.10.    Tot slot acht de Voorzitter ter zitting voldoende toegelicht waarom  verruiming van de openingstijd past binnen het profiel van Rotterdam Airport als zakenluchthaven.

2.11.    Gelet op het voorgaande, daarbij mede in aanmerking genomen de toezegging ter zitting van de zijde van Rotterdam Airport B.V. dat in afwachting van het verdere verloop van de procedure voor landingen tussen 23.00 en 24.00 uur slechts “voorlopige slots” zullen worden uitgegeven, zodat geen duurzame rechten ontstaan, ziet de Voorzitter geen aanleiding voor schorsing van het bestreden besluit.

   De verzoeken komen derhalve niet voor toewijzing in aanmerking.

2.12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra    w.g. Prins

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 november 2004

363.