Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR5829

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-11-2004
Datum publicatie
17-11-2004
Zaaknummer
200401207/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 mei 2002 heeft appellant (hierna: het college) [wederpartij] op straffe van een dwangsom gelast het houden van computerbeurzen op het perceel, kadastraal bekend gemeente Apeldoorn, sectie AC, nr. 9092, plaatselijk bekend Heemradenlaan 130 (Sporthal Matenpark) te Apeldoorn, achterwege te laten.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2005, 49 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
JB 2005/35 met annotatie van C.L.G.F.H. A.
JOM 2007/750
OGR-Updates.nl 100857
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200401207/1.

Datum uitspraak: 17 november 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 7 januari 2004 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2002 heeft appellant (hierna: het college) [wederpartij] op straffe van een dwangsom gelast het houden van computerbeurzen op het perceel, kadastraal bekend gemeente Apeldoorn, sectie AC, nr. 9092, plaatselijk bekend Heemradenlaan 130 (Sporthal Matenpark) te Apeldoorn, achterwege te laten.

Bij besluit van 29 november 2002 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, voorzover de last betrekking had op de 2 juni 2002 gehouden computerbeurs en voor het overige ongegrond.

Bij uitspraak van 7 januari 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de last geschorst tot zes weken na de nieuwe beslissing op het bezwaarschrift. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 9 februari 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 8 maart 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 5 april 2004 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van [wederpartij]. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2004, waar het college, vertegenwoordigd door G.L. ter Brugge, ambtenaar der gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. E.T. de Boer, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het college klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het onvoldoende heeft gemotiveerd, waarom het, ondanks het gevoerde gedoogbeleid, tot handhavend optreden heeft besloten.

2.2.    Niet in geschil is dat het gebruik van Sporthal Matenpark voor het houden van computerbeurzen, als die van [wederpartij], in strijd is met de ingevolge het bestemmingsplan "De Maten 1972" ter plaatse geldende bestemming "Bijzondere doeleinden (BD)", zodat het college terzake handhavend kon optreden.

2.3.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen, indien concreet uizicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.    Ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar bestond geen concreet uitzicht op legalisatie van de computerbeurzen in evenbedoelde zin, aangezien dat gebruik in strijd is met, zowel het op dat moment geldende, als het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan.

2.5.    Het voeren van een gedoogbeleid ten aanzien van met het bestemmingsplan strijdig gebruik, zonder dat concreet uitzicht op legalisatie in evenbedoelde zin bestaat, verdraagt zich niet met de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Zodanig beleid kan derhalve, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet afdoen aan de plicht van het college om het bestemmingsplan in beginsel te handhaven. Aan de vraag of de computerbeurzen van [wederpartij] onder het gedoogbeleid vallen, komt derhalve niet het belang toe dat de rechtbank daaraan heeft gehecht.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.

2.7.    Het door [wederpartij] gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. De door haar gemaakte vergelijking met vlooienmarkten en antiekbeurzen en met de door Expo Partners gehouden computerbeurzen in de Americahal, waartegen het college niet handhavend optreedt, kan haar niet baten, reeds omdat het terzake gevoerde gedoogbeleid in strijd is met de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

2.8.    Het betoog dat het college van handhavend optreden had moeten afzien, nu het de beurzen jarenlang heeft gedoogd, faalt evenzeer. Anders dan [wederpartij] betoogt, kon zij aan de door het college op grond van de Algemene plaatselijke verordening 2001 verleende vergunning, noch aan de krachtens de Winkeltijdenverordening Apeldoorn 1997 verleende ontheffing, mede gelet op de beperkte afwegingskaders van die verordeningen, het vertrouwen ontlenen dat tegen detailhandel op deze schaal niet ter handhaving van het bestemmingsplan zou worden opgetreden.

2.9.    Onder deze omstandigheden en in aanmerking genomen dat in de beslissing op bezwaar is verklaard dat de lastgeving geen betrekking heeft op de op 2 juni 2002 gehouden computerbeurs, bestaat er geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten handhavend op te treden, als het heeft gedaan.

2.10.    Het beroep is ongegrond.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 7 januari 2004, in zaak nummer 03/52 VEROR 206;

III.    verklaart het door [wederpartij] bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb    w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2004

71-422.