Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR5813

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-11-2004
Datum publicatie
17-11-2004
Zaaknummer
200402973/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juni 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wierden (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en bouwvergunning verleend voor de bouw van twee winkels en zes appartementen op de percelen [locatie] te Wierden. Voorts heeft het college ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, sub b, van de bouwverordening van de gemeente Wierden verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200402973/1.

Datum uitspraak: 17 november 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo van 27 februari 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Wierden.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wierden (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en bouwvergunning verleend voor de bouw van twee winkels en zes appartementen op de percelen [locatie] te Wierden. Voorts heeft het college ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, sub b, van de bouwverordening van de gemeente Wierden verleend.

Bij besluit van 30 december 2003 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard en het besluit van 23 juni gewijzigd gehandhaafd.

Bij uitspraak van 27 februari 2004, verzonden op diezelfde datum, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 7 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 7 juni 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 november 2004, waar appellanten, vertegenwoordigd door ing. J.H.D. Zenderink, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door J.H.W. Langen en B.J.M. Beernink-Rouweler, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening van de gemeente Wierden (hierna: de bouwverordening) moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en derde lid:

a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

2.2.    Het college heeft de parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan berekend aan de hand van de parkeernota, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Wierden op 13 april 1999. Bij deze nota is aansluiting gezocht bij de Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (hierna: ASVV 1996) van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond- Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: CROW).

Het college heeft de parkeerbehoefte ten gevolge van de realisering van de appartementen vastgesteld op negen en ten behoeve van de realisering van de winkels op tien, zijnde in totaal negentien parkeerplaatsen ten gevolge van het bouwplan.

Vaststaat dat het bouwplan niet voorziet in de nodige parkeer- of stallingsruimte op eigen terrein.

Het college heeft vrijstelling als bedoeld in artikel 2.5.30, vierde lid, onder b,  van de bouwverordening verleend omdat op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien.

2.3.    Partijen verschillen niet meer van mening omtrent de parkeerbehoefte van negen parkeerplaatsen voor de zes appartementen.

Appellanten betogen dat de negen parkeerplaatsen die worden voorzien door afname van negen parkeerplaatsen in de reeds bestaande parkeergarage onder het Binnenhof, niet mogen worden meegeteld, omdat deze plaatsen reeds in de berekening ten behoeve van andere bouwplannen zijn betrokken, zodat sprake is van een dubbeltelling.

Op grond van de stukken alsmede het verhandelde ter zitting is genoegzaam vast komen te staan dat de desbetreffende negen parkeerplaatsen in de parkeergarage buiten beschouwing zijn gebleven in de berekening ten behoeve van andere bouwplannen en dat deze parkeerplaatsen ten behoeve van het voorliggende bouwplan waren gereserveerd.

2.4.    Appellanten betogen dat de voorzieningenrechter ten onrechte de berekening van het college heeft gevolgd met betrekking tot de parkeerbehoefte ten behoeve van de winkels. Hiertoe hebben appellanten gesteld dat per 25 m² vrije verkoopvloeroppervlakte 1 parkeerplaats benodigd is zodat, uitgaande van 383 m² verkoopvloeroppervlakte, een parkeerbehoefte bestaat van 16 parkeerplaatsen.

Uit de stukken alsmede het verhandelde ter zitting is gebleken dat het college aan de hand van voornoemde parkeernota en de ASSV 1996 de parkeerbehoefte ten behoeve van de winkels heeft vastgesteld op

tien parkeerplaatsen. Niet gebleken is dat het college hierbij een onjuist uitgangspunt heeft gehanteerd, noch dat het op onjuiste wijze de parkeerbehoefte heeft vastgesteld. Hierbij wordt opgemerkt dat, anders dan appellanten van mening zijn, van een zogeheten streekfunctie van het centrum van Wierden, gelet op de stukken alsmede het verhandelde ter zitting, geen sprake is.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat – op termijn – niet in  deze parkeerbehoefte kan worden voorzien in het centrum en aan de rand van het kernwinkelgebied.

Nu op andere wijze in de nodige parkeer- en stallingsruimte kan worden voorzien, is de voorzieningenrechter terecht tot de conclusie gekomen dat het college de vrijstelling op grond van de bouwverordening kon verlenen.

2.5.    Hetgeen appellanten met betrekking tot de esthetische kwaliteit van het bouwplan hebben aangevoerd, vormt grotendeels een herhaling van hetgeen zij bij de voorzieningenrechter hebben aangevoerd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de voorzieningenrechter deze grief terecht en op goede gronden verworpen. Hetgeen appellanten hebben aangevoerd, te weten de indiening van een gewijzigd bouwplan, betreft een omstandigheid die zich na het bestreden besluit heeft voorgedaan en kan derhalve in het voorliggende geschil niet worden betrokken.

2.6.    Voorts heeft de voorzieningenrechter terecht en op goede gronden geoordeeld dat, gelet op het bepaalde in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht, het college bevoegd was bij het bestreden besluit gebreken te herstellen. Anders dan appellanten kennelijk van mening zijn, is in het bestreden besluit gemotiveerd aangegeven op welke wijze in de parkeerbehoefte van eerdergenoemde tien parkeerplaatsen kan worden voorzien.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin    w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2004

328.