Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR5810

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-11-2004
Datum publicatie
17-11-2004
Zaaknummer
200306368/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 augustus 2003, kenmerk 2002-50051, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] voor een periode van vijf jaar een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting bestemd voor het produceren van betonmortel, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 22 augustus 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306368/1.

Datum uitspraak: 17 november 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 augustus 2003, kenmerk 2002-50051, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] voor een periode van vijf jaar een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting bestemd voor het produceren van betonmortel, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 22 augustus 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 24 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 25 september 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 1 december 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 13 mei 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juli 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door J. Wildschut, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. N.A. Boerties, ing. D.J. Boonstra en M.J. van Cleeff, allen ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Verweerder heeft gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover dat zich keert tegen de omstandigheid dat de in de bijlage bij het akoestisch rapport gebruikte invoergegevens niet overeenstemmen met hetgeen in dat rapport is vermeld.

   Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Anders dan verweerder heeft gesteld vindt de grond inzake verschillen in het akoestisch rapport wel zijn grondslag in de bedenkingen, waarin immers is aangevoerd dat onduidelijk is wat de representatieve bedrijfssituatie is in relatie tot het door de inrichting veroorzaakte geluid. Het beroep is daarom ontvankelijk.

2.2.    Appellante stelt dat onduidelijk is wat de representatieve bedrijfssituatie is en dat daardoor evenmin duidelijk is of aan de in het bestreden besluit opgenomen geluidgrenswaarden kan worden voldaan. Hiertoe voert zij het volgende aan.

   Onduidelijk is welk van de uitgebrachte akoestisch rapporten deel uitmaakt van de aanvraag. De representatieve bedrijfssituatie, waaronder de productieomvang, is in het laatste akoestisch rapport van 10 maart 2003 anders beschreven dan in de aanvraag. Voorts is geen representatief beeld verkregen van de geluidreductie als gevolg van de wijze van inrichten van het terrein van de onderhavige inrichting, doordat in het akoestisch rapport van 10 maart 2003 is uitgegaan van een andere wijze van inrichten dan is vergund. Verweerder heeft zijn stelling dat dit niet relevant is omdat die geluidreductie verwaarloosbaar is, niet onderbouwd. Daarnaast is in het akoestisch onderzoek geen rekening gehouden met een aantal akoestisch relevante bedrijfsactiviteiten en bedrijfsmiddelen, te weten het uitwendig schoonmaken van truckmixers, het vullen van de gasolietank en het in werking zijn van de restbetonrecyclinginstallatie.

2.2.1.    Verweerder stelt dat uit de considerans van het bestreden besluit blijkt dat het akoestisch rapport van 10 maart 2003 deel uitmaakt van de aanvraag. Volgens hem blijkt uit de aanvraag en de aanvullingen daarop wat de representatieve bedrijfssituatie is.

   De verandering van de wijze van inrichten van het onderhavige terrein heeft een te verwaarlozen effect op de geluidemissie vanwege de inrichting, aldus verweerder. Er is zijns inziens daarom geen reden om op grond hiervan een herberekening te maken van de geluidemissie.

   Volgens verweerder zijn het uitwendig schoonmaken van truckmixers, het vullen van de gasolietank en het in werking zijn van de restbetonrecyclinginstallatie akoestisch niet relevant, gelet op de overige geluidbronnen. In het verweerschrift heeft verweerder hieraan toegevoegd dat uit een door hem uitgevoerde nadere berekening blijkt dat deze drie geluidbronnen geen waarneembaar effect op de geluidzonegrens en een verwaarloosbaar effect op de controlepunten hebben.

2.2.2.    In de aanvulling van de aanvraag van 12 maart 2003 is vermeld dat de aanvullende bescheiden, waaronder het akoestisch rapport van 10 maart 2003, de desbetreffende (delen van de) eerder ingediende bescheiden vervangen. In het dictum van het bestreden besluit is bepaald dat de aanvraag inclusief bijlagen en aanvullingen deel uitmaakt van de vergunning. Op grond hiervan stelt de Afdeling vast dat het akoestisch rapport van 10 maart 2003 deel uitmaakt van de vergunning. Blijkens dit rapport bedraagt de representatieve maximale productieomvang (uitgedrukt in aantallen truckmixers per etmaal) 138 truckmixers á ± 21 ton beton.

   De Afdeling constateert dat in het akoestisch rapport van 10 maart 2003 ten onrechte niet is uitgegaan van de gewijzigde terreininrichting, maar van de inrichting van het terrein zoals weergegeven in de oorspronkelijke aanvraag. Verder blijkt uit de stukken dat niet alle werkzaamheden met truckmixers en het aanleveren van gasolie in de berekening van de geluidbelasting zijn betrokken. Voorts blijkt uit het deskundigenbericht dat de geluidemissie vanwege de betonrecyclinginstallatie volgens een indicatieve berekening met name in de nachtperiode zou kunnen leiden tot overschrijding van de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden. Met name wat betreft deze laatste omissie in de door verweerder in aanmerking genomen akoestische gegevens bestaat onduidelijkheid. De niet met nadere gegevens onderbouwde stelling van verweerder in het verweerschrift doet hier niet aan af. Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet zorgvuldig voorbereid.

2.3.    Het beroep is gegrond. Aangezien het geluidaspect bepalend is voor de beantwoording van de vraag of vergunning kan worden verleend, dient het besluit in zijn geheel te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven gelet hierop geen bespreking meer.

2.4.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 11 augustus 2003, kenmerk 2002-50051;

III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.353,61, van welk bedrag een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Noord-Holland te worden betaald aan appellante;

IV.    gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 273,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Melse

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2004

191-442.