Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR5476

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-11-2004
Datum publicatie
10-11-2004
Zaaknummer
200403295/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juni 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heeze en Leende (hierna: het college), onder verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied-Oost 1983" van de voormalige gemeente Maarheeze (hierna: het bestemmingsplan), bouwvergunning verleend voor het oprichten van een garage/berging op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200403295/1.

Datum uitspraak: 10 november 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 27 februari 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Heeze en Leende.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heeze en Leende (hierna: het college), onder verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied-Oost 1983" van de voormalige gemeente Maarheeze (hierna: het bestemmingsplan), bouwvergunning verleend voor het oprichten van een garage/berging op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 18 maart 2003 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 februari 2004, verzonden op 12 maart 2004, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 20 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 21 april 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 mei 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 5 juli 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 oktober 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. G.R.A.G. Goorts, advocaat te Deurne en het college, vertegenwoordigd door mr. R.S. Klaver, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in de oprichting van een garage/berging met een oppervlakte van 75 m2 en een hoogte van 4,95 meter bij de woning [locatie].

Het perceel [locatie] heeft in het bestemmingsplan gedeeltelijk de bestemming “Woondoeleinden” met de aanduiding ‘B1’ en gedeeltelijk de bestemming “Bos”.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de bij het bestemmingsplan behorende planvoorschriften is op gronden met de bestemming “Woondoeleinden” bebouwing op de aangewezen bouwvlakken uitsluitend toegestaan volgens onderstaande voorschriften.

Deze voorschriften zijn in de vorm van een matrix opgenomen in de planvoorschriften. Blijkens deze matrix zijn per woning bijgebouwen toegestaan op geen grotere afstand dan 20 meter van de woning. Door middel van een teken is hierbij aangegeven: “tenzij reeds bijgebouwen aanwezig zijn, dan wel daarvoor geschikt te maken zijn”.

De maximale goothoogte van een bijgebouw mag 3 meter bedragen, de hoogte maximaal 4,5 meter en het totaal bebouwd oppervlak maximaal 75 m².

Ingevolge artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, van de voorschriften kan vrijstelling worden verleend van de voorschriften inzake de minimale en maximale afmetingen van de bebouwing, mits de afwijking niet meer bedraagt dan 10%.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het planvoorschrift de bouw van bijgebouwen niet toestaat indien elders op het perceel buiten het bebouwingsvlak van de bestemming “Woondoeleinden” reeds bijgebouwen aanwezig zijn dan wel daarvoor geschikt gemaakt kunnen worden.

Dit betoog faalt.

Vaststaat dat de reeds aanwezige schuur/garage, waarvoor op 19 november 1985 een bouwvergunning is verleend, is gelegen op gronden met de bestemming “Bos”. Dit geldt eveneens voor de op het perceel aanwezige schuur.

Verder staat vast dat binnen het bebouwingsvlak van de bestemming “Woondoeleinden” geen bijgebouwen zijn opgericht.

De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de twee bouwwerken die binnen de bestemming “Bos” zijn gesitueerd buiten beschouwing dienen te blijven.

De in artikel 15 van de planvoorschriften opgenomen beperking “tenzij reeds bijgebouwen aanwezig zijn, dan wel daarvoor geschikt te maken zijn” ziet op de afstand van bijgebouwen ten opzichte van de woning en niet op, zoals van de zijde van appellant bepleit, de aanwezigheid van bijgebouwen buiten het bebouwingsvlak van het gehele perceel.

2.3.    Appellant heeft gewezen op een brief van het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Maarheeze van  25 oktober 1994, waarin is aangegeven dat het bouwwerk waarvoor op 19 november 1985 bouwvergunning is verleend, een bijgebouw is bij de bestemming “Woondoeleinden”.

Deze informatie is - zoals ter zitting namens het college ook is erkend - niet in overeenstemming met de feiten.

Deze omstandigheden doen er echter niet aan af dat het thans voorliggende bouwplan aan de planvoorschriften dient te worden getoetst.

Gelet op het onder 2.2. overwogene, kan niet anders worden geoordeeld dan dat het bouwplan niet het in artikel 15 van de planvoorschriften neergelegde maximum oppervlak aan bijgebouwen van 75 m² overschrijdt en derhalve niet in strijd is met het bestemmingsplan.

2.4.     Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Steinebach-de Wit

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2004

328.