Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR5471

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-11-2004
Datum publicatie
10-11-2004
Zaaknummer
200404165/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 november 2001 heeft de gemeenteraad van Dodewaard (thans gemeente Neder-Betuwe), op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19 november 2001, het bestemmingsplan "Buitengebied Dodewaard 2001" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200404165/1.

Datum uitspraak: 10 november 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2001 heeft de gemeenteraad van Dodewaard (thans gemeente Neder-Betuwe), op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19 november 2001, het bestemmingsplan "Buitengebied Dodewaard 2001" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 2 juli 2002, no. RE2001.119815, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

De Afdeling heeft het besluit van 2 juli 2002 bij uitspraak van 23 juli 2003, no. 200204810/1, gedeeltelijk vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 23 maart 2004, no. RE2003.68802, voorzover nodig opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief van 18 mei 2004, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde dag, en [appellant sub 2] bij brief van 19 mei 2004, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 18 juni 2004.

Bij brief van 21 juli 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2004, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. H.H. Luigies, advocaat te Rotterdam, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. G. Holdijk, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. H.E. Fris-de Groot, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar namens de gemeenteraad drs. P.G.F. van Gompel, ambtenaar van de gemeente, gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht.

Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2.    Met het plan wordt beoogd een actuele juridisch-planologische regeling te treffen voor het buitengebied van de voormalige gemeente Dodewaard. De dorpskommen Wely en Dodewaard en het traject van de Betuweroute en rijksweg A15 vallen buiten het plan.

2.3.    [appellant sub 1] stelt in beroep dat verweerder wederom ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de dubbelbestemming “Karakteristiek gebouw” betreffende zijn dijkwoningen aan [locatie sub 1]. Door deze bestemming worden de woningen volgens hem ten onrechte aangemerkt als karakteristiek, hetgeen zijn verbouwingsplannen zeer beperkt.

2.3.1.    De gemeenteraad heeft aan de dijkwoningen aan [locatie sub 1] naast de bestemming “Woonbebouwing” de dubbelbestemming “Karakteristiek gebouw” toegekend, aangezien deze woningen gelet op de oorspronkelijke functie, de ligging en de maatvoering een cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen.

2.3.2.    Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit plandeel goedgekeurd.

2.3.3.    In het besluit van 2 juli 2002 heeft verweerder goedkeuring verleend aan het plandeel met de dubbelbestemming “Karakteristiek gebouw” betreffende de dijkwoningen aan [locatie sub 1].

De Afdeling heeft dit besluit bij haar uitspraak van 23 juli 2003 in zaak no. 200204810/1 in zoverre vernietigd, omdat het niet berustte op een deugdelijke motivering. Zij heeft daartoe overwogen dat verweerder in zijn besluit ten onrechte niet is ingegaan op de bezwaren van [appellant sub 1] tegen dit plandeel. De Afdeling stelt vast dat verweerder in het nu voorliggende besluit wel is ingegaan op de desbetreffende bezwaren. De vraag die in deze procedure aan de orde is, is of verweerder ondanks deze bezwaren heeft kunnen besluiten wederom goedkeuring te verlenen aan het plandeel.

2.3.4.    Blijkens de plantoelichting heeft het plan onder andere tot doel de bescherming van karakteristieke, uit cultuurhistorisch oogpunt waardevolle, gebouwen. Onder karakteristieke gebouwen worden verstaan gebouwen die karakteristiek zijn voor een bepaalde, aan een periode gebonden, bouwstijl of voor de streek. Uit de stukken is gebleken dat de gemeenteraad gebouwen die voorkomen op de Rijksmonumentenlijst, de Gemeentelijke monumentenlijst of op de lijst van het Monumenten Inventarisatie Project (hierna: de MIP-lijst) heeft aangewezen als “Karakteristiek gebouw”. Hieraan heeft hij toegevoegd gebouwen die blijkens een veldonderzoek een cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen.

Het gaat daarbij voornamelijk om gebouwen die weliswaar in detaillering niet meer origineel zijn, maar waarvan de hoofdlijnen nog wel als karakteristiek kunnen worden aangemerkt.

Niet in geding is dat de dijkwoningen aan [locatie sub 1] niet op de Rijksmonumentenlijst, de Gemeentelijke monumentenlijst of op de MIP-lijst voorkomen. Blijkens het veldonderzoek hebben de woningen desondanks een cultuurhistorische waarde, aangezien zij zijn gebouwd als steenovenarbeiderswoningen in de 19e eeuw. Niet gebleken is dat deze conclusie onjuist is. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de dijkwoningen aan [locatie sub 1] als karakteristiek zijn aan te merken en dat in het plan hiervoor op goede gronden een regeling is opgenomen.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat artikel 32, tweede lid, van de planvoorschriften, dat voorziet in bebouwingsvoorschriften voor gebouwen met de dubbelbestemming  “Karakteristiek gebouw”, niet in de weg staat aan uitbouw aan de achterzijde dan wel doorbreking van de dijkwoningen.

Mede gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de planvoorschriften ten aanzien van karakteristieke gebouwen niet dermate beperkend zijn dat aan [appellant sub 1] iedere mogelijkheid tot verbouw van de dijkwoningen wordt onthouden.

2.3.5.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plandeel.

Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

2.4.    [appellant sub 2] stelt in beroep dat verweerder wederom ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Agrarisch oeverwalgebied” wat betreft zijn perceel aan de [locatie sub 2]. Deze bestemming voorziet volgens hem ten onrechte niet in de mogelijkheid bebouwing op te richten ten behoeve van zijn boomteeltbedrijf, waaraan hij gezien het nijpende gebrek aan opslagruimte grote behoefte heeft. [appellant sub 2] is van mening dat door een vertegenwoordiger van de gemeente de verwachting is gewekt dat agrarische bebouwing op zijn perceel mogelijk is. Hij wijst er verder op dat het gemeentebestuur de nieuwvestiging van een fruitteeltbedrijf met bedrijfsbebouwing in de omgeving van zijn perceel wel toestaat. Mede gelet op het grondsoortgebonden karakter van het boomteeltbedrijf zijn de mogelijkheden voor nieuwvestiging op andere terreinen waarop wel een agrarisch bouwperceel mag worden gelegd beperkt, aldus [appellant sub 2].

2.4.1.    Aan de gronden van [appellant sub 2] heeft de gemeenteraad in het plan de bestemming “Agrarisch oeverwalgebied” zonder agrarisch bouwperceel toegekend.

In artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften is - voorzover hier van belang - bepaald dat deze gronden bestemd zijn voor grondgebonden agrarische productie, bijbehorende voorzieningen en opslag en instandhouding, dan wel herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan een agrarisch oeverwalgebied, met dien verstande dat de gronden tevens zijn bestemd voor de op de plankaart eveneens aangegeven dubbelbestemmingen.

2.4.2.    Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit plandeel goedgekeurd. Hij is van mening dat de belangen van [appellant sub 2] bij een agrarisch bouwperceel minder zwaar wegen dan het algemene belang dat is gediend bij de instandhouding van de aan de [locatie sub 2] voorkomende waarden. Volgens verweerder zijn geen verwachtingen gewekt, waarop [appellant sub 2] een beroep kan doen.

2.4.3.    In het besluit van 2 juli 2002 heeft verweerder het plandeel  goedgekeurd. In haar uitspraak van 23 juli 2003 in zaak no. 200204810/1 heeft de Afdeling over dit besluit het volgende overwogen:

”Gelet op een en ander heeft verweerder niet duidelijk gemaakt of en in hoeverre de lokale feitelijke situatie op en rond het perceel van [appellant sub 2] voldoende in overeenstemming is met de beschrijving in het plan van de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden van de gronden met de bestemming “Agrarisch oeverwalgebied”. Verder stelt de Afdeling vast dat verweerder in zijn besluit ten onrechte ervan is uitgegaan dat aan de gronden de dubbelbestemming “Terrein van cultuurhistorische waarde” is toegekend. Nu verweerder er voorts geen blijk van heeft gegeven bij zijn afweging tevens de belangen van appellant te hebben betrokken, komt de Afdeling tot het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.”

2.4.4.    De Afdeling is op grond van het verhandelde ter zitting gebleken  dat [appellant sub 2] op zijn perceel aan de [locatie sub 2] bomen (op)kweekt ten behoeve van de verkoop aan de groothandel. Gelet op de stukken stelt de Afdeling vast dat verweerder thans heeft onderkend dat op dit perceel niet de dubbelbestemming “Terrein van cultuurhistorische waarde” is gelegd. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit gewezen op de waarden die eigen zijn aan het perceel van [appellant sub 2]. Blijkens de stukken is verweerder met de gemeenteraad van mening dat het gebied waarin het perceel ligt wordt gekenmerkt door:

- reliëf: geulen, ruggen en huisterpen;

- verkaveling: kleinschalig, gesloten en divers, gedeeltelijk het reliëf volgend;

- opgaande beplanting: relatief veel erf-, kavelgrens- en wegbeplanting, boomgaarden en bosjes;

- bebouwing: relatief veel bebouwing in de vorm van geconcentreerd liggende buurtschappen, lintbebouwing en verspreid liggende bebouwing.

Dit standpunt is niet onjuist gebleken.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen oordelen dat de feitelijke situatie op en in de omgeving van het perceel van [appellant sub 2] grotendeels overeenstemt met de beschrijving in het plan van de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan gronden met de bestemming “Agrarisch oeverwalgebied”.

2.4.5.    In het streekplan Gelderland 1996 heeft het gebied waarvan het perceel van [appellant sub 2] deel uitmaakt de aanduiding “Landelijk gebied D” gekregen. Dit betekent dat de landbouw richtinggevend is voor de ontwikkeling van andere functies. Aan nieuwe bedrijven wordt planologisch ruimte geboden. In gebieden met waardevolle openheid dient het open karakter zoveel mogelijk te worden behouden. De voorkomende lokale natuur- en landschapswaarden in gebieden met de aanduiding “Landelijk gebied D” dienen op gemeentelijk niveau van een passende planologische bescherming te worden voorzien.

Met instemming van verweerder voert de gemeenteraad een terughoudend beleid ten aanzien van de toekenning van nieuwe agrarische bouwpercelen. Nieuwvestiging van landbouwbedrijven zonder dat van bestaande bebouwing gebruik wordt gemaakt, wordt slechts toegestaan in gebieden zonder bijzondere landschappelijke waarden, natuurwaarden en cultuurhistorische waarden. Dit zijn de gebieden met de bestemming “Agrarisch gebied”. Gebieden met de bestemming “Agrarisch oeverwalgebied”, zoals het perceel van [appellant sub 2], komen niet voor nieuwvestiging zonder gebruikmaking van bestaande bebouwing in aanmerking. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk.

2.4.6.    Met verweerder overweegt de Afdeling dat het plan in overeenstemming is met het vorenbedoelde beleid. De stellingen van [appellant sub 2] geven geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit geval niet heeft kunnen vasthouden aan dit beleid. In het bijzonder had de omstandigheid dat [appellant sub 2] een ernstig tekort aan opslagruimte heeft hiertoe geen aanleiding behoeven te geven. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat niet aannemelijk is geworden dat elders geen gronden beschikbaar zijn waarop wel een agrarisch bouwperceel mag worden gelegd en vestiging aldaar niet mogelijk is.

Ten aanzien van de door [appellant sub 2] gemaakte vergelijking met het fruitteeltbedrijf met bedrijfsbebouwing direct ten zuiden van zijn perceel overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat die situatie zodanig overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie, dat verweerder om deze reden niet heeft kunnen instemmen met het plan. Het fruitteeltbedrijf is reeds lange tijd in het gebied gevestigd en de bedrijfsbebouwing is geplaatst op een bestaand agrarisch bouwperceel, welke in dit plan is gehandhaafd.

Wat betreft het beroep van [appellant sub 2] op het vertrouwensbeginsel, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de gemeenteraad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in een agrarisch bouwperceel voor zijn gronden zou voorzien.

De gemeenteraad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten.

Voor verweerder bestond derhalve geen aanleiding om op grond van het niet honoreren van gerechtvaardigde verwachtingen door de gemeenteraad, goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.4.7.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plandeel.

Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

2.5.    Ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en dr.ir. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel    w.g. Bindels

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2004

85-466.