Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR5436

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-11-2004
Datum publicatie
10-11-2004
Zaaknummer
200401834/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij brief van 24 juni 2003, kenmerk 526732, heeft verweerder het verzoek van het Wetterskip Fryslân om handhavend op te treden ten aanzien van de door appellant zonder milieuvergunning verrichte reparatie- en sloopwerkzaamheden aan [locatie] te [plaats], toegewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 18.14
Wet milieubeheer 18.16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2004/3781
Milieurecht Totaal 2004/3536
JB 2005/14
JOM 2006/1194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200401834/1.

Datum uitspraak: 10 november 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij brief van 24 juni 2003, kenmerk 526732, heeft verweerder het verzoek van het Wetterskip Fryslân om handhavend op te treden ten aanzien van de door appellant zonder milieuvergunning verrichte reparatie- en sloopwerkzaamheden aan [locatie] te [plaats], toegewezen.

Bij besluit van 13 januari 2004, kenmerk 546898, verzonden op 14 januari 2004, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 23 februari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 24 februari 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 maart 2004.

Bij brief van 27 april 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 september 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. E. Hardenberg, advocaat te Groningen,

en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.A. Verbuijs en ing. F. Reitsma, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is het waterschap “Wetterskip Fryslân”, vertegenwoordigd door drs. G. Jansen, gemachtigde, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant stelt – voorzover hier thans van belang – dat verweerder de brief aan het “Wetterskip Fryslân” van 24 juni 2003 (hierna: de brief aan het Wetterskip) ten onrechte beschouwt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, nu zijns inziens geen sprake is van rechtsgevolgen. Hij voert hiertoe aan dat pas van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden gesproken, indien verweerder zou beslissen tot het opleggen van een last onder dwangsom of het aanzeggen van bestuursdwang. Het feit dat in de aan hemzelf gerichte waarschuwingsbrief van 24 juni 2003, kenmerk 526733, (hierna: de waarschuwingsbrief) de mogelijkheid is geboden zienswijzen in te dienen geeft aan dat verweerder nog niet definitief is overgegaan tot het opleggen van een last onder dwangsom of het aanzeggen van bestuursdwang, aldus appellant.

2.2.    Verweerder is van mening dat sprake is van een beslissing tot handhavend optreden, waarmee wel degelijk rechtsgevolg is beoogd, zodat gesproken kan worden van een rechtshandeling. Er is zijns inziens dan ook sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.3.    Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

   Ingevolge artikel 18.14, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan een ieder aan een bestuursorgaan dat bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang, oplegging van een last onder dwangsom of intrekking van een vergunning of ontheffing, verzoeken een daartoe strekkende beschikking te geven.

   Ingevolge artikel 18.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer, wordt de beschikking op een overeenkomstig artikel 18.14, eerste lid, gedaan verzoek zo spoedig mogelijk gegeven, doch uiterlijk vier weken na de datum waarop het verzoek is ontvangen.

2.4.    Uit de stukken is gebleken dat verweerder naar aanleiding van het verzoek van het Wetterskip Fryslân om handhaving door middel van de brief aan het Wetterskip heeft medegedeeld dat appellant in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer zonder vergunning reparatie- en sloopwerkzaamheden verricht, alsmede dat appellant is gewaarschuwd om de activiteiten binnen twee weken te beëindigen. Niet is aangegeven op welke wijze en wanneer verweerder handhavend zal optreden, indien appellant aan de waarschuwing geen gevolg geeft. Voorts stelt de Afdeling vast dat verweerder appellant door middel van een waarschuwingsbrief heeft aangeschreven om binnen twee weken na 24 juni 2003 de activiteiten te beëindigen. Als dit niet gebeurt, dan zal alsnog worden overgegaan tot het opleggen van een last onder dwangsom of het aanzeggen van bestuursdwang, aldus verweerder in deze brief. Vaststaat dat van een rechtsgevolg geen sprake is zonder nadere besluitvorming.

2.5.    Gelet op het vorenstaande oordeelt de Afdeling dat de brief aan het Wetterskip slechts kan worden beschouwd als een aankondiging om – indien de niet vergunde activiteiten worden voortgezet – op nog nader te bepalen wijze handhavend op te treden. Derhalve is de brief geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Het tegen de brief aan het Wetterskip ingediende bezwaarschrift had dan ook niet ontvankelijk dienen te worden verklaard.

2.6.    Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De Afdeling zal het bezwaarschrift alsnog met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk verklaren. Gelet op het vorenstaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Fryslân van 13 januari 2004, kenmerk 546898;

III.    verklaart het bezwaarschrift van appellant van 1 augustus 2003 alsnog niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit.

IV.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Fryslân in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Fryslân te worden betaald aan appellant;

V.    gelast dat de provincie Fryslân aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.T. Heijstek-van Leussen, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll    w.g. Heijstek-van Leussen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2004

353.