Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR5415

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-11-2004
Datum publicatie
10-11-2004
Zaaknummer
200405920/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 september 2003 heeft de gemeenteraad van Bathmen het bestemmingsplan "Kom Bathmen Supermarkt Larenseweg 2003" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405920/2.

Datum uitspraak: 2 november 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1.    [verzoekers sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [verzoekers sub 2], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2003 heeft de gemeenteraad van Bathmen het bestemmingsplan "Kom Bathmen Supermarkt Larenseweg 2003" vastgesteld.

Bij besluit van 11 mei 2004, no. RWB/2003/3271, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit hebben onder meer verzoekers sub 1 bij brief van 16 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en verzoekers sub 2 bij brief van 17 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 19 juli 2004, beroep ingesteld. Verzoekers sub 1 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 31 augustus 2004.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld hebben verzoekers sub 1 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 17 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 19 juli 2004, hebben verzoekers sub 2 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 30 september 2004, waar verzoekers sub 1, in persoon en bijgestaan door mr. K.E.A. Mutsaers, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. E. Munneke, zijn verschenen. Voorts zijn de gemeenteraad van Bathmen, vertegenwoordigd door ir. G.W. Brilman, ing. L.B. van Dam en Th. de Wit, en [partij], vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, daar gehoord. Verzoekers sub 2 zijn, met bericht van afwezigheid, niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Het plan heeft betrekking op een perceel aan de Larenseweg te Bathmen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan, voorzover hier van belang, goedgekeurd.

2.3.    Verzoekers, omwonenden, stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voorzover dat de bouw van een supermarkt met bovengelegen appartementen en kantoorruimte en met bijbehorend parkeerterrein mogelijk maakt. Zij hebben aangevoerd dat de afstand tussen de voorziene supermarkt en hun woningen kleiner is dan is aanbevolen in de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering”. Verzoekers sub 1 vrezen daarom dat zij geluidhinder van de supermarkt zullen ondervinden. Ook vrezen zij voor hinder als gevolg van (knipperende) reclame-verlichting. Verzoekers hebben tevens aangevoerd dat het plan zal leiden tot parkeer- en verkeersoverlast en dat de bebouwing een aantasting van hun uitzicht en hun privacy tot gevolg zal hebben.

2.4.    Verweerder heeft geen aanleiding gezien om goedkeuring aan dit plandeel te onthouden en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Volgens verweerder is de bouw van een supermarkt ter plaatse vanuit stedenbouwkundig en planologisch opzicht aanvaardbaar. Daarbij stelt hij dat ten aanzien van de woningen van verzoekers sub 2 wordt voldaan aan de afstandseisen uit de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering”. Ook de afstand tot de woning van verzoekers sub 1 acht hij in dit geval toereikend om (geluid)hinder als gevolg van de supermarkt te voorkomen.

2.5.    In de brochure “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2001 van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) worden indicatieve afstanden genoemd die moeten worden aangehouden tussen bepaalde bedrijfstypen en een rustige woonwijk. Voor een supermarkt zonder koelinstallatie met ammoniak – waar het in dit geval om gaat – wordt in deze brochure een minimaal aan te houden afstand van 10 meter genoemd. Zoals onder meer blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 1997, no. E01.94.0433 (BR 1997, blz. 830) moet een afwijking van deze indicatieve afstanden worden gemotiveerd.

2.5.1.    Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is de afstand tussen de woningen van verzoekers sub 2 en de beoogde supermarkt aanzienlijk groter dan 10 meter. Ten aanzien van de woning van verzoekers sub 1 wordt niet aan deze indicatieve afstand voldaan. Hoewel de Voorzitter betwijfelt of de afstand in dit geval moet worden gemeten vanaf de gevel van het hoofdgebouw van de woning, zoals verweerder stelt, acht hij het standpunt van verweerder dat de afwijking van de indicatieve afstand uit de VNG-brochure onder de gegeven omstandigheden aanvaardbaar is en dat verzoekers sub 1 geen onaanvaardbare geluidhinder van de supermarkt zullen ondervinden niet onredelijk. Daarbij neemt hij in aanmerking dat verweerder heeft vermeld dat aan de kant van hun woning de achterzijde van de supermarkt is voorzien, bestaande uit een blinde muur waarin uitsluitend een nooduitgang zal worden aangebracht. Verder is uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren gekomen dat de bij de koelinstallatie behorende condensor op het dak van de supermarkt, op een afstand van ongeveer 30 meter van de woning van verzoekers sub 1 zal worden geplaatst en dat het laden en lossen ten behoeve van de supermarkt zal plaatsvinden in een overdekte ruimte die is voorzien op een afstand van ongeveer 40 meter van de woning. Ten slotte is in dit verband van belang dat verweerder heeft vermeld dat parkeerplaatsen voor bezoekers van de supermarkt, mede gezien de ligging van het bestemmingsvlak “Berg- en Stallingsruimte”, op een afstand van ten minste 35 meter van de woning zullen worden aangelegd en dat de ingang van de supermarkt is voorzien ten noorden van de bevoorradingsplaats. Gelet hierop is niet aannemelijk dat op korte afstand van de woning van verzoekers sub 1 buitenactiviteiten van de supermarkt, zoals het aan- en afrijden van auto’s en het verplaatsen van winkelwagentjes, zullen plaatsvinden.

2.5.2.    Voorzover verzoekers sub 1 vrezen dat in de nabijheid van hun perceel glasbakken of afvalcontainers zullen worden geplaatst en dat zij overlast zullen ondervinden van reclame-uitingen, lichtbakken en neonreclames, overweegt de Voorzitter dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan niet het aangewezen instrument is om daarin te voorzien. Daarbij merkt de Voorzitter op dat op deze punten dient te worden voldaan aan de eisen die gelden in het kader van de milieuregelgeving. Overigens is ter zitting vermeld dat de glasbakken ondergronds zullen worden aangelegd.

2.5.3.    De Voorzitter is verder van oordeel dat verzoekers niet aannemelijk hebben gemaakt dat de in het plan voorziene parkeergelegenheid onvoldoende is. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat het plan zal leiden tot een ernstige toeneming van verkeersoverlast in het gebied.

2.6.    Ten aanzien van de mogelijkheid om appartementen en kantoorruimte boven de supermarkt te bouwen, heeft verweerder overwogen dat het plan in zoverre weliswaar leidt tot een vermindering van het uitzicht en de privacy, maar niet in die mate dat gesproken moet worden van een onevenredige aantasting van de belangen van verzoekers.

Hetgeen verzoekers hebben aangevoerd, leidt de Voorzitter niet tot het oordeel dat dit standpunt onredelijk is. Daarbij merkt de Voorzitter nog op dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen dat de appartementen aan de zijde van de woning van verzoekers sub 1 geen ramen of andere openingen krijgen en dat het stedenbouwkundige en het bouwkundige ontwerp nauwelijks of geen inkijk toelaten in de woningen van verzoekers sub 2. Overigens is ter zitting gebleken dat tussen de gemeente en de ontwikkelaar van het bouwplan afspraken zullen worden gemaakt over bouwkundige maatregelen met betrekking tot afscherming en beperking van inkijk.

2.7.     Ook in hetgeen verzoekers verder aanvoeren ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder het plan in zoverre niet heeft kunnen goedkeuren. De verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening dienen te worden afgewezen.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.I. Breunese-van Goor, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman    w.g. Breunese-van Goor

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 november 2004

208.