Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR5088

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-11-2004
Datum publicatie
03-11-2004
Zaaknummer
200402575/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 16 oktober 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schijndel (hierna: het college) appellant in het kader van de uitgebreide voorbereidingsprocedure, als bedoeld in artikel 3.5.6. van de Algemene wet bestuursrecht, een ontwerpbesluit tot het opleggen van een last onder dwangsom gezonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200402575/1.

Datum uitspraak: 3 november 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 12 februari 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Schijndel.

1.    Procesverloop

Bij brief van 16 oktober 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schijndel (hierna: het college) appellant in het kader van de uitgebreide voorbereidingsprocedure, als bedoeld in artikel 3.5.6. van de Algemene wet bestuursrecht, een ontwerpbesluit tot het opleggen van een last onder dwangsom gezonden.

Bij besluit van 3 december 2002 heeft het college appellant onder oplegging van een dwangsom gelast een aantal nader aangeduide bouwwerken op de percelen, kadastraal bekend gemeente Schijndel, sectie […], nummers […], plaatselijk bekend [locatie 1 en 2] te Schijndel te verwijderen en de daarbij vrijkomende materialen van het perceel af te voeren.

Bij uitspraak van 12 februari 2004, verzonden op 17 februari 2004, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 26 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 29 maart 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 april 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 1 juli 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 oktober 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. M.J.G.H. Verviers, advocaat te IJsselstein, en het college, vertegenwoordigd door P. Smulders, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De last heeft betrekking op een berging, een afdak en een paardenstal op het perceel [locatie 1]  en op een paardenstal en een berging, beide met afdak, op het perceel [locatie 2] .

2.2.    Niet in geschil is dat voor deze bouwwerken nimmer bouwvergunning is verleend. Voor zover appellant wil betogen dat de rechtbank heeft miskend dat niettemin geen sprake is van overtreding van het in artikel 40 van de Woningwet neergelegde verbod, omdat de bouwwerken worden beschermd door het in artikel 34.1 van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied 2000” neergelegde overgangsrecht voor bebouwing, wordt overwogen dat, voorzover al geldt dat de bouwwerken op de peildatum al aanwezig waren, deze bepaling op zichzelf geen bouwvergunning vervangende titel verschaft. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat is gehandeld in strijd met artikel 40 van de Woningwet, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

2.3.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.    Niet bestreden is dat de voorschriften van het bestemmingsplan “Buitengebied 2000” die betrekking hebben op de aan de percelen [locatie 1]  en 56 toegekende bestemmingen, te weten “Agrarisch verwante en niet-agrarische bedrijven” met de nadere aanduiding “Gm” (groothandel metaal) onderscheidenlijk “Wonen” en “Agrarisch gebied” legalisering van de bouwwerken niet mogelijk maken. Anders dan appellant kennelijk meent, vormt het voormelde, in artikel 34.1 neergelegde overgangsrecht evenmin een titel voor legalisering, reeds omdat deze bepaling slechts gedeeltelijke vernieuwing en verandering van op de peildatum aanwezige bebouwing toestaat.

2.5.    Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat het college van handhaving diende af te zien, omdat het de gewraakte bouwwerken gedurende een groot aantal jaren stilzwijgend heeft gedoogd faalt. Weliswaar kan uit de door appellant overgelegde foto’s worden afgeleid dat tenminste een deel van de bouwwerken op het perceel [locatie 1]  halverwege de jaren tachtig reeds was gerealiseerd, maar de rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat niet is gebleken dat het college dit wist of moest weten. Dit kan ook niet worden afgeleid uit het door appellant overgelegde gemeentelijk stuk, dat is opgesteld naar aanleiding van een verzoek om controle van 19 maart 2002. Het feit dat de gemeente beschikte over luchtfoto’s van het betrokken perceel van onder meer 1976, 1985, 1990 en 1996 vormt geen grond voor een ander oordeel, reeds omdat deze niet zijn genomen met het oogmerk om illegale bouwwerken op te sporen en zij slechts na een grondige bestudering (van vergrotingen daarvan) een indruk geven van de feitelijke situatie. Ook het feit dat gemeenteambtenaren omstreeks 1989 in verband met de bouw van een garage, waarvoor in dat jaar bouwvergunning was verleend, aan het perceel [locatie 2]  een bezoek hebben gebracht vormt onvoldoende grond voor een ander oordeel, omdat dit bezoek kennelijk evenmin ten doel had om illegale bouwwerken op te sporen en de bouwwerken op perceel [locatie 1]  voor deze vergunning niet van betekenis waren. Voor de bouwwerken op het perceel [locatie 2]  geldt voorts dat deze -  naar appellant ook erkent - van veel recenter datum zijn. Reeds op grond van het vorenstaande kan niet worden geoordeeld dat appellant er op mocht vertrouwen dat het college niet meer handhavend zou optreden.

2.6.    Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin. Ter zitting is van de zijde van het college onweersproken gesteld dat de bouwwerken op het naastgelegen perceel kunnen worden gelegaliseerd en voorts dat in het geval van het perceel [locatie 3] nog onderzoek wordt gedaan naar de mogelijkheden om handhavend op te treden. Ook overigens is door appellant niet aannemelijk gemaakt dat in vergelijkbare gevallen is besloten om niet handhavend op te treden.

2.7.    Gelet op het vorenstaande, heeft de rechtbank terecht overwogen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden in de hiervoor bedoelde zin en dat het besluit van 3 december 2002 dan ook niet voor vernietiging in aanmerking komt.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens    w.g. Boer

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2004

201.