Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR5076

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-11-2004
Datum publicatie
03-11-2004
Zaaknummer
200306817/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2003:AM3125
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 januari 2001 heeft de Algemene Directie voor de Arbeidsvoorziening, thans de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: de CWI), aanvragen van appellante om verlening van tewerkstellingsvergunningen ten behoeve van het verrichten van arbeid door Japanse en Indiase werknemers in de functie van lokaal cabinepersoneel afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 1
Wet arbeid vreemdelingen 3
Wet arbeid vreemdelingen 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 442 met annotatie van I. Sewandono
JV 2005/90 met annotatie van Ted Badoux
RV20040073 met annotatie van Badoux Th.L. Ted
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

200306817/1.

Datum uitspraak: 3 november 2004

Uitspraak op het hoger beroep van:

de naamloze vennootschap "Koninklijke Luchtvaartmaatschappij N.V",

gevestigd te Amstelveen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 21 augustus 2003 in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen.

1.

Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2001 heeft de Algemene Directie voor de Arbeidsvoorziening, thans de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: de CWI), aanvragen van appellante om verlening van tewerkstellingsvergunningen ten behoeve van het verrichten van arbeid door Japanse en Indiase werknemers in de functie van lokaal cabinepersoneel afgewezen.

Bij besluit van 12 november 2002 heeft de CWI, voorzover hier van belang, het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 augustus 2003, verzonden op 27 augustus 2003, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 17 november 2003 heeft de CWI van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. E.J. Henrichs, advocaat te Amsterdam, en mr. E.L. Stange, drs. M. van Biessum en mr. M. Rademaker, gemachtigden, en de CWI, vertegenwoordigd door mr. R. Abrahim en mr. L.J.A. van Amersfoort, beiden werkzaam bij de CWI, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1.In grief 1 stelt appellante dat zij ten onrechte wordt aangemerkt als werkgever in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav). Volgens appellante zijn de werknemers in dienst bij de zelfstandige K.L.M.-vestigingen in India en Japan en dienen deze als werkgevers te worden aangemerkt.

2.1.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, sub 1, van de Wav wordt in die wet en de daarop berustende bepalingen onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wav wordt een tewerkstellingsvergunning aangevraagd door de werkgever.

2.1.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling gebleken dat de werkzaamheden door het cabinepersoneel feitelijk worden verricht in vervoermiddelen die in Nederland zijn geregistreerd. Met de rechtbank wordt overwogen dat deze werkzaamheden voor appellante worden verricht, dat appellante degene is die de vluchten, waarop de werkzaamheden worden verricht, uitvoert en dat het appellante is die opdracht geeft tot het in dienst nemen van het lokale cabinepersoneel teneinde haar concurrentiepositie te verstevigen. Voorts heeft appellante in de toelichting op de door haar ingediende aanvragen zelf aangegeven dat het lokale cabinepersoneel een arbeidsovereenkomst heeft met haar, zijnde een Nederlandse werkgever. Dat, naar appellante stelt, de arbeidsovereenkomsten zijn ondertekend door medewerkers van haar vestigingen in India en Japan, de salarissen worden uitbetaald in plaatselijke valuta en de sociale premies en belastingen worden afgedragen in India respectievelijk Japan, noch hetgeen overigens door appellante is aangevoerd doet er aan af, dat zij degene is die in de uitoefening van haar bedrijf een ander arbeid laat verrichten en dat zij voor de toepassing van de Wav als werkgever dient te worden aangemerkt. De rechtbank is terecht tot deze conclusie gekomen. Grief 1 faalt.

2.2. In grief 2 wordt de uitleg bestreden die de rechtbank heeft gegeven aan de uitzonderingsbepaling van artikel 3, eerste lid, onder c, van de Wav juncto artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, sub 5, van het Besluit uitvoering Wav (hierna: Besluit Wav). Volgens appellante verricht het cabinepersoneel werkzaamheden in de huishouding van toeristen, namelijk de verzorging en bediening van passagiers aan boord van een verkeersvliegtuig, zodat hiervoor geen tewerkstellingsvergunning vereist is.

2.2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wav, is het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie, dan wel bij een algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie van werkzaamheden verricht.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, sub 5, van het Besluit Wav is het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wav niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling die zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft en die, voorzover hier van belang, arbeid verricht uitsluitend bestaande uit het werkzaam zijn in de huishouding van toeristen.

2.2.2. De rechtbank heeft terecht in de werkzaamheden die het  cabinepersoneel aan boord van een vliegtuig verricht geen aanleiding gezien om deze gelijk te stellen met het werkzaam zijn in de huishouding van toeristen. Weliswaar heeft het cabinepersoneel tijdens de vlucht verzorgende taken ten aanzien van de passagiers maar, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet kan worden gesteld dat deze zorg betrekking heeft op de dagelijkse gang van zaken in een gezin of andere leefeenheid. Grief 2 faalt derhalve.

2.3. Grief 3 richt zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wav juncto artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit Wav. Volgens appellante brengt een redelijke wetsuitleg met zich mee dat het enkele feit dat een vliegtuig in Nederland is geregistreerd niet tot gevolg kan hebben dat voor het lokaal cabinepersoneel een tewerkstellingsvergunning moet worden aangevraagd.

2.3.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit Wav is het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wav niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling die zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft en geen arbeidsovereenkomst heeft met een in Nederland gevestigde werkgever en uitsluitend arbeid verricht op buiten Nederland geregistreerde vervoermiddelen in het internationale verkeer.

2.3.2. Slechts indien aan alle in dit artikelonderdeel cumulatief opgesomde voorwaarden is voldaan, is geen tewerkstellingsvergunning vereist. Reeds omdat het in dit geval gaat om vreemdelingen die arbeid verrichten voor een in Nederland gevestigde werkgever op in Nederland geregistreerde vervoermiddelen in het internationale verkeer, slaagt het beroep van appellante op deze uitzonderingsbepaling niet. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen. Grief 3 faalt eveneens.

2.4. Grief 4 richt zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wav.

2.4.1. Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder d, van voornoemd artikel wordt een tewerkstellingsvergunning geweigerd indien het een niet eerder toegelaten vreemdeling betreft, die met de desbetreffende arbeid over een periode van een maand niet ten minste een bedrag verdient gelijk aan het minimumloon, bedoeld in artikel 8, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna: Wmm).

2.4.2. Niet in geschil is dat de hoogte van het bedrag dat de Indiase werknemers voor wie een tewerkstellingsvergunning is aangevraagd over een periode van een maand verdienen lager is dan het minimumloon, bedoeld in artikel 8, onder a, van de Wmm. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de Japanse werknemers over een periode van een maand niet ten minste een bedrag verdienen gelijk aan het minimumloon, omdat zij op oproepbasis werkzaam zijn (en naar rato van de gewerkte uren worden betaald). Blijkens de Memorie van Toelichting is het vereiste van een minimumbeloning per maand ongeacht het aantal gewerkte uren een uitdrukking van de eis dat met het toelaten van de vreemdeling een voldoende economisch belang is gemoeid om doorbreking van het restrictieve toelatingsbeleid te rechtvaardigen (TK 1993-1994, 23 574, nr. 3, blz. 16). Hieruit volgt dat de weigeringsgrond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wav ook van toepassing is op de Japanse werknemers.

Hetgeen appellante onder grief 4 aanvoert leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft terecht overwogen dat artikel 8 van de Wav imperatief is geformuleerd zodat er voor de CWI geen ruimte is voor de door appellante bepleite nadere afweging met betrekking tot de door haar gestelde economische belangen bij het kunnen inzetten van de Japanse en Indiase werknemers. Eventuele ongewenste en / of onbedoelde effecten van deze bepaling kunnen worden weggenomen door gebruik van de aan de Kroon bij artikel 3, eerste lid, onder c, van de Wav verleende bevoegdheid. Het staat appellante vrij initiatieven in die richting te ontwikkelen. Grief 4 treft derhalve geen doel.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van Breda, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Van Breda

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2004

309/310-408.