Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR5071

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-11-2004
Datum publicatie
03-11-2004
Zaaknummer
200401719/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) geweigerd om aan de [vergunninghouder] bouwvergunning te verlenen voor een zendmast op het perceel [locatie] te Enschede.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200401719/1.

Datum uitspraak: 3 november 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Enschede,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 19 januari 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) geweigerd om aan de [vergunninghouder] bouwvergunning te verlenen voor een zendmast op het perceel [locatie] te Enschede.

Bij besluiten van 20 december 2002 en 7 januari 2003 heeft het college het daartegen door de vergunninghouder gemaakte bezwaar gegrond verklaard en alsnog de gevraagde bouwvergunning verleend.

Bij uitspraak van 19 januari 2004, met het reg.nr. 03/253 WW44 N1 A, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 februari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 27 februari 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 4 mei 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 3 augustus heeft appellant nog nadere stukken toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2004,

waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door

mr. M.H.J. Hassink, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bouwvergunning is verleend voor een zendmast met een hoogte van 15 meter.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank van een onjuiste ligging van de fundering van de mast en de hoogte daarvan is uitgegaan.

2.2.1.    Dit betoog slaagt niet. Niet is gebleken dat de rechtbank bij haar beslissing van een andere situatie is uitgegaan dan waarvoor het college vergunning heeft verleend. Wanneer de feitelijke situatie niet overeenstemt met de vergunde, kan appellant het college verzoeken om tot handhaving over te gaan.

2.3.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet op consistente wijze heeft beslist door eerst vanwege welstandsaspecten de vergunning te weigeren en vervolgens alsnog vergunning te verlenen na alleen te hebben gekeken naar de bouwhoogte.

2.3.1.    Dit betoog faalt. Bij zijn beslissing van 22 april 2002 heeft het college bouwvergunning geweigerd, omdat het bouwplan in strijd met artikel 2.5.24 van de Bouwverordening voorzag in een hoogte van de zendmast van 20 meter en bovendien volgens het college niet werd voldaan aan redelijke eisen van welstand. Naar aanleiding hiervan heeft vergunninghouder kenbaar gemaakt het bouwplan aan te willen laten passen, in die zin dat wordt voorzien in een mast van ten hoogste 15 meter. Het college heeft vervolgens, nadat de welstandscommissie een positief welstandsadvies had uitgebracht, alsnog de gevraagde bouwvergunning verleend. Niet valt in te zien dat het college niet aldus heeft mogen beslissen.

2.4.    Appellant betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat een onderzoek had moeten worden gedaan naar de gesteldheid van de bodem en naar het verband tussen de door appellant gestelde schade aan bestaande bebouwing als gevolg van het storten van het beton van de fundering van de mast. Voorts stelt hij dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat ontgravingswerkzaamheden dienen te worden gemeld bij de directeur van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling.

2.4.1.    Ook dit betoog faalt. Het laatstgenoemde aspect betreft de naleving van de vergunning en staat in deze procedure, waarin het gaat om de vergunningverlening als zodanig, niet ter beoordeling. Het betoog dat het college gezien artikel 2.4.1 van de bouwverordening een bodemonderzoek had moeten laten uitvoeren, slaagt niet, nu deze bepaling slechts een regeling geeft voor het bouwen op verontreinigde grond. Daarover gaat het hier, naar appellant ook niet betwist, niet. Ook anderszins bestaat geen grond voor het oordeel dat het college verplicht was een onderzoek naar de gesteldheid van de bodem en naar de door appellant gestelde schade uit te voeren alvorens de vergunning te verlenen. Dat het fundament van de mast schade zou kunnen veroorzaken aan de omgeving omdat het zou kunnen verzakken en mitsdien zou moeten worden geoordeeld, dat de constructie in die zin niet sterk genoeg is, is onvoldoende aannemelijk gemaakt.

2.5.    In hoger beroep heeft appellant bij brief van 3 augustus 2004 nadere stukken overgelegd betreffende de kans op straling als gevolg van het gebruik maken van de zendmast. Dit aspect kan evenwel niet in de beoordeling worden betrokken, nu niet valt in te zien, waarom appellant dit niet in een eerder stadium van de procedure naar voren had kunnen brengen.

2.6.    Voorts betoogt appellant dat de rechtbank heeft miskend dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met artikel 10, tweede lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), omdat zijn belangen onevenredig worden geschaad door de betrokken vergunningverlening.

2.6.1.    Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel 10, voor zover hier van belang, kan de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde vrijheden worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de bescherming van de rechten van anderen.

2.6.2.    Het betoog slaagt niet. Het tweede lid van artikel 10 richt zich tot de overheid. Daarop heeft de nationale wetgever in de Woningwet (mede) met het oog op de bescherming van de rechten van anderen door middel van het in artikel 44 neergelegde stelsel beperkingen gesteld als bedoeld in het tweede lid van artikel 10 van het EVRM. Hetgeen appellant betoogt komt neer op de wens, de rechten van degene die van de zendmast gebruik wil maken in te perken. Het tweede lid van artikel 10 biedt appellant die ingang niet.

2.7.    Appellant betoogt tenslotte dat de rechtbank heeft miskend dat vergunningverlening er toe leidt dat zijn eigendom in waarde zal dalen.

Deze grond faalt, omdat in deze procedure slechts de vraag aan de orde kan komen of zich een weigeringsgrond voordoet als bedoeld in artikel 44 van de Woningwet. Het door appellant gestelde omtrent waardevermindering is in dit verband niet relevant.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.9.    Appellant heeft verzocht om toepassing te geven aan artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor toepassing van deze bepaling bestaat geen aanleiding, nu de aangevallen uitspraak strekkende tot ongegrondverklaring van het bij de rechtbank ingestelde beroep, wordt bevestigd.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk    w.g. Schortinghuis

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2004

66-218.