Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR5058

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-10-2004
Datum publicatie
03-11-2004
Zaaknummer
200405946/1 en 200405946/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 april 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tynaarlo (hierna: het college) [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2004/397 met annotatie van F.A.M. S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405946/1 en 200405946/2.

Datum uitspraak: 28 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 9 juni 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Tynaarlo.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tynaarlo (hierna: het college) [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 22 oktober 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 juni 2004, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 juli 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 13 augustus 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Voorts heeft appellant de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 16 september 2004 respectievelijk 11 oktober 2004 hebben [vergunninghouder] en het college van antwoord gediend.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 oktober 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. T. Knoop, advocaat te Groningen, en het college, vertegenwoordigd door G.H. van Rossum, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

Voorts is daar [gemachtigde] als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het perceel is in het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Ubels” bestemd als “Woongebied”.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder i, van de voorschriften bij dat plan wordt onder hoofdgebouw verstaan een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken, met inbegrip van aan- en uitbouwen.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder j, wordt onder bijgebouw verstaan een gebouw dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

2.2.    Appellant betoogt tevergeefs dat de rechtbank met haar overweging dat de aanvraag, nu deze een uitbreiding van een woning betreft, getoetst dient te worden aan de ter plaatse geldende bepalingen ten aanzien van hoofdgebouwen, in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb buiten het geding is getreden. Indien de toepassing van een bestemmingsplanvoorschrift aan de orde is, dient de rechtbank, toepassing gevend aan het tweede lid van dat artikel, te onderzoeken of die bepaling op het voorgelegde geval van toepassing is.

2.3.    De overweging is voorts ook juist. Het bouwplan voorziet in het plaatsen van een verdieping op een bestaand, plat afgedekt, deel van de woning. Dat deel bevat blijkens de bouwtekening bij de vergunning een gedeelte van de hal, een badkamer, een slaapkamer/studeerkamer en een berging. Dat deel van de woning kan op meerdere plaatsen rechtstreeks vanuit de woning worden betreden en kan derhalve in bouwkundig opzicht niet los worden gezien van het hoofdgebouw. Het is daaraan niet ondergeschikt, maar maakt daarvan deel uit. Reeds hierom heeft de rechtbank terecht overwogen dat het bouwplan voorziet in een uitbreiding van het hoofdgebouw.

2.4.    Gelet op het voorgaande, geeft hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor de conclusie dat de rechtbank het beroep van appellant ten onrechte ongegrond heeft verklaard.

2.5.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb    w.g. Nolles

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2004

291.