Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR5057

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-10-2004
Datum publicatie
03-11-2004
Zaaknummer
200407845/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 september 2004 heeft verweerder het verzoek van verzoeker om toepassing van bestuurlijke handhavingsmaatregelen met betrekking tot de brandweergarage van de gemeente Veere, gelegen op het perceel Langendam 61 te Zoutelande, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407845/1.

Datum uitspraak: 28 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Veere,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2004 heeft verweerder het verzoek van verzoeker om toepassing van bestuurlijke handhavingsmaatregelen met betrekking tot de brandweergarage van de gemeente Veere, gelegen op het perceel Langendam 61 te Zoutelande, afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

Bij brief van 19 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 22 september 2004, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 oktober 2004, waar verweerder, vertegenwoordigd door N. Wouters, ambtenaar van de gemeente, is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Verzoeker is van mening dat zijn verzoek om handhaving ten onrechte is afgewezen. Hij heeft betoogd dat de activiteiten van de Dienst Beheer en Onderhoud van de gemeente Veere in de brandweerkazerne in strijd zijn met de voor de brandweerkazerne geldende milieuvergunning. Hij staat op het standpunt dat verweerder ten onrechte aanneemt dat de illegale situatie gelegaliseerd kan worden. Verweerder heeft in zijn afwijzing van het verzoek gewezen op de melding die op grond van artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer is ingekomen en waarmee de illegale situatie zou worden opgeheven. Verzoeker is echter van mening dat aan de criteria van genoemd artikel niet voldaan wordt. De Dienst Beheer en Onderhoud staat in geen enkele relatie tot de brandweerkazerne, zodat deze activiteiten volgens hem niet onder de milieuvergunning gebracht kunnen worden. Bovendien leveren deze activiteiten een aanzienlijke hogere milieubelasting op, aldus verzoeker.

2.2.    Verweerder is van mening dat hij, hoewel de activiteiten op het moment van het verzoek om handhaving in strijd waren met de milieuvergunning die op 4 september 2001 voor de inrichting is verleend, niet behoeft op te treden gelet op de mogelijkheid van legalisatie van deze illegale situatie. Op 2 september 2004 is een melding op grond van artikel 8.19 van de Wet milieubeheer ingekomen die hij op 14 september 2004 heeft geaccepteerd. Hij is van mening dat het parkeergedrag en de verkeersbewegingen die uit de veranderingen voortvloeien er niet voor zullen zorgen dat overschrijding van de in de milieuvergunning opgenomen geluidgrenswaarden plaatsvindt.

2.3.    Niet in geschil is dat is gehandeld in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, zodat verweerder terzake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.    De Voorzitter overweegt dat verweerder bij besluit van 14 september 2004 een melding op grond van artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer, die gericht was op de legalisatie van de bestaande situatie heeft geaccepteerd. Gelet hierop kon verweerder naar het oordeel van de Voorzitter in redelijkheid afzien van het treffen van handhavingsmaatregelen en ziet hij geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

2.5.    De Voorzitter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.I. van Koten, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink    w.g. Van Koten

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2004

324.