Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR5050

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-11-2004
Datum publicatie
03-11-2004
Zaaknummer
200307870/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 maart 2003 heeft de gemeenteraad van Neede, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 februari 2003, het bestemmingsplan "De Russchemors" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2005, 3K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200307870/1.

Datum uitspraak: 3 november 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellante sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2003 heeft de gemeenteraad van Neede, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 februari 2003, het bestemmingsplan "De Russchemors" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 14 oktober 2003, kenmerk RE2003.31857, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij faxbericht van 25 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 25 november 2003, appellanten sub 2 bij brief van 8 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 9 december 2003, en appellanten sub 3 bij brief van 2 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 10 december 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 22 januari 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 29 april 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellanten sub 3]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2004, waar [appellante sub 1], in persoon en bijgestaan door ing. W.B.A. Kooiker, gemachtigde, [appellanten sub 2], in persoon, [appellanten sub 3], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Neede, vertegenwoordigd door mr. J. van Steenhuis en R. van Eck, ambtenaren van de gemeente.

2.    Overwegingen

2.1.    Ten aanzien van het beroep van [appellanten sub 2] stelt de Afdeling vast dat de beroepsgrond die betrekking heeft op de toegangsweg aan de zuid(west)zijde van het plandeel met de bestemming “Groenvoorzieningen” en de aanduiding “Waardevolle bomen”, niet steunt op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voorzover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerpplan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

Dit is slechts anders voorzover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest terzake een zienswijze in te brengen.

Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

Het beroep is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

2.1.1.    Ten aanzien van het beroep van [appellanten sub 3] stelt de Afdeling vast dat de beroepsgronden die betrekking hebben op de noodzaak van het bedrijventerrein en de locatiekeuze, de hogere grenswaarden in verband met geluidhinder, de aanvaardbaarheid van zwaardere categorieën bedrijven, en de verkeersveiligheid, niet steunen op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voorzover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerpplan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

Dit is slechts anders voorzover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest terzake een zienswijze in te brengen.

Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

Het beroep is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

2.1.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2.    Het plan maakt de ontwikkeling van een bedrijventerrein ten oosten van de kern Neede mogelijk. Het plangebied wordt globaal begrensd door de Oude Eibergseweg, de Munsterjansdijk en de Voorste Russchemorsdijk.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder deels goedkeuring onthouden aan het plan en het voor het overige goedgekeurd.

Het beroep van [appellante sub 1]

2.3.    Appellante stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij wenst dat aan haar akkerperceel aan de Oude Eibergseweg een bedrijfsbestemming wordt toegekend met de mogelijkheid een bedrijfswoning te bouwen. Appellante betwist voorts dat het plan financieel uitvoerbaar is.

Ter zitting heeft appellante de beroepsgrond dat het plan in ruimere bouwmogelijkheden dient te voorzien voor haar gronden aan de Oude Eibergseweg, ingetrokken.

2.3.1.    De gemeenteraad heeft aan het akkerbouwperceel van appellante de bestemming “Agrarische doeleinden – A – “ toegekend. Voorts is dit plandeel voorzien van de aanduiding “gebied met wijzigingsbevoegdheid 2”. Op de plankaart is voor het perceel geen bouwvlak opgenomen.

Volgens de gemeenteraad is een bestemming voor bedrijfsdoeleinden pas aan de orde nadat de plandelen met de rechtstreekse bedrijfsbestemmingen zijn benut.

2.3.2.    Verweerder heeft geen reden gezien dit deel van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft deze plandelen goedgekeurd. Hij acht de financiële uitvoerbaarheid van het plan voldoende aangetoond.

2.3.3.    Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de voor “Agrarische doeleinden” aangewezen gronden bestemd voor de agrarische bedrijfsvoering.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn burgemeester en wethouders voor de gronden die op de plankaart zijn aangeduid als “gebied met wijzigingsbevoegdheid 2” bevoegd tot wijziging van de bestemming “Agrarische doeleinden” in de bestemming “Bedrijfsdoeleinden”, onder de voorwaarden dat:

- de behoefte aan bedrijventerrein voldoende is aangetoond;

- voorrang wordt gegeven aan de direct tot bedrijfsdoeleinden bestemde gronden.

2.3.3.1.    Blijkens de plantoelichting geldt de huidige situatie als uitgangspunt voor de keuze van de bestemmingen. Met uitzondering van de gronden die noodzakelijk zijn voor de ontsluiting van het bedrijventerrein en de direct naastgelegen percelen, zijn alle bestaande woningen, bedrijven en agrarische gronden als zodanig bestemd, aldus de toelichting.

Uit het deskundigenbericht blijkt dat het betrokken perceel aan de Oude Eibergseweg als akkerland wordt gebruikt. De gemeenteraad heeft het bestaande gebruik als zodanig bestemd. Dit stemt overeen met hetgeen in de plantoelichting over de wijze van bestemmen staat vermeld. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat voor dit specifieke perceel een uitzondering op het uitgangspunt had moeten worden gemaakt. Dat voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein eerst de plandelen met de rechtstreekse bestemming “Bedrijfsdoeleinden” moeten worden benut alvorens de wijzigingsbevoegdheid zal worden uitgeoefend, acht de Afdeling niet onredelijk.

2.3.4.    Wat betreft de financiële uitvoerbaarheid van het plan overweegt de Afdeling het volgende.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 verrichten burgemeester en wethouders ten behoeve van de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied der gemeente onderzoek naar de bestaande toestand in en naar de mogelijke en wenselijke ontwikkeling van de gemeente.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, heeft dit onderzoek bij de voorbereiding van een ontwerp voor een bestemmingsplan van stonde af aan mede betrekking op de uitvoerbaarheid van het plan.

Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp daarvoor gaan ingevolge artikel 12, tweede lid, onder a, vergezeld van een toelichting, waarin de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de uitkomsten van het in artikel 9 bedoelde onderzoek, voorzover dit onderzoek het in het plan begrepen gebied betreft, zijn neergelegd.

2.3.4.1.    In de plantoelichting staat vermeld dat de aanleg van het bedrijventerrein zal plaatsvinden op grond van een particuliere exploitatie. De kosten van de aanleg van voorzieningen ten behoeve van de bedrijven met bedrijfswoningen langs de Oude Eibergseweg zullen worden verhaald op de aanvragers van wijzigingsplannen.

Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting is gebleken dat een positief financieel resultaat te verwachten is na de verwezenlijking van het plan. Voorts is gebleken dat bij de exploitatieopzet rekening is gehouden met de verwervingskosten voor onder meer de gronden van appellante.

Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid aannemelijk kunnen achten dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan voldoende is gewaarborgd.

2.3.5.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellante sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 2]

2.4.    Appellanten zijn eigenaar van de woning met bijbehorende gronden aan de [locatie]. Zij voeren aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Appellanten betogen ten eerste dat hun woning ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Daarnaast kunnen appellanten zich niet verenigen met de onthouding van goedkeuring aan de woorden “geheel of” in artikel 13, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften.

2.4.1.    De gemeenteraad heeft aan het perceel [locatie] de bestemming “Groenvoorzieningen” toegekend. Naar zijn mening kan de woning van appellanten niet worden gehandhaafd vanwege toekomstige milieuhinder.

2.4.1.1.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat handhaving van de woning uit een oogpunt van leefbaarheid niet wenselijk is. Daarnaast zou dat naar zijn mening veel beperkende effecten hebben op de invulling van het plangebied en de verkaveling.

Verweerder heeft goedkeuring onthouden aan de woorden “geheel of” in artikel 13, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften. Volgens hem is het in strijd met de strekking van overgangsrecht dat bouwwerken geheel kunnen worden vernieuwd of veranderd.

2.4.1.2.    Gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse na verwezenlijking van het plan niet gegarandeerd is. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het plan mogelijk maakt dat bedrijven uit de milieucategorieën 1 tot en met 4.1 tot op een afstand van ongeveer 5 meter van de woning van appellanten worden gevestigd. Voor deze categorieën bedrijven bedraagt blijkens de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” de grootste aanbevolen afstand 200 meter. Dat verweerder bij de afweging van belangen meer gewicht heeft toegekend aan de in het plan opgenomen vestigingsmogelijkheden, ook voor bedrijven uit zwaardere milieucategorieën in de directe nabijheid van de woning van appellanten, dan aan het belang van appellanten, acht de Afdeling niet onredelijk.

De woning van appellanten is niet als zodanig bestemd. Op grond van het overgangsrecht dat in artikel 13, tweede lid, is neergelegd, mag het gebruik van de woning voor woondoeleinden worden voortgezet.

Ten aanzien van het onder het overgangsrecht brengen van het gebruik van de woning van appellanten overweegt de Afdeling dat een bestaande situatie die in het voorgaande bestemmingsplan als zodanig was bestemd, slechts dan onder het overgangsrecht mag worden gebracht indien aannemelijk is dat de door de gemeenteraad voorgestane nieuwe bestemming binnen de planperiode zal worden verwezenlijkt.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van de Afdeling voldoende aannemelijk geworden dat het gebruik van de woning voor woondoeleinden binnen de planperiode zal worden beëindigd. Daarbij is van belang dat de gemeenteraad ter zitting heeft verklaard dat desnoods tot onteigening van het perceel van appellanten zal worden overgegaan.

2.4.1.3.    Over de onthouding van goedkeuring aan de woorden “geheel of” in artikel 13, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften overweegt de Afdeling het volgende.

Ingevolge deze bepaling mogen bouwwerken, die bestaan op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan, dan wel nadien nog kunnen worden opgericht krachtens:

(1) een voor dat tijdstip aangevraagde bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, dan wel

(2) een afgegeven of nog af te geven mededeling als bedoeld in artikel 42, eerste lid, sub b, van de Woningwet.

en die afwijken van het plan, geheel of gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, op voorwaarde dat de bestaande afwijking van het plan naar aard noch omvang wordt vergroot en behoudens onteigening.

2.4.1.4.    Appellanten hebben aangevoerd dat, ook in het geval zij nog slechts enkele jaren eigenaren blijven van de woning [locatie], het noodzakelijk is om de opstallen, gezien hun bouwkundige staat, deels geheel, deels gedeeltelijk te vernieuwen, ten einde permanente bewoning mogelijk te maken. Zij wijzen er in dit verband op dat in de opstalverzekering eisen worden gesteld ten aanzien van het onderhoud van de opstallen.

2.4.1.5.    De Afdeling overweegt dat het overgangsrecht in dit bestemmingsplan betrekking heeft op bestaand gebruik waarvan de beëindiging wenselijk is met het oog op toekomstige planologische ontwikkelingen binnen het plangebied. De gemeenteraad heeft in dit geval beëindiging van de woonfunctie en verwijdering van de woning ten behoeve van de ontwikkeling van een bedrijventerrein wenselijk geacht. Het standpunt van verweerder dat een gehele vernieuwing of verandering van de opstallen ter plaatse zich niet verhoudt met de voorgestane planologische ontwikkeling, acht de Afdeling niet onjuist of onredelijk.

2.4.2.    Appellanten betogen voorts dat verweerder ten onrechte zijn goedkeuring heeft gehecht aan artikel 3, twaalfde lid, onder f, sub 2 en sub 3, van de planvoorschriften. Zij vinden dat de hierin neergelegde vrijstellingsbevoegdheden leiden tot een onevenredige aantasting van het kleinschalige landschap in de omgeving van het plangebied.

2.4.2.1.    Verweerder heeft geen aanleiding gezien deze vrijstellingsbevoegdheden in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft de betrokken voorschriften goedgekeurd.

2.4.2.2.    Ingevolge artikel 3, twaalfde lid, onder f, van de planvoorschriften voorzover hier van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het achtste lid, onder f, tot verhoging van de op de kaart aangegeven bouwhoogten volgens het volgende schema:

(1) (…);

(2) van 12 naar 18 meter voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

(3) tot 25 meter, uitsluitend voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals technische installaties, silo’s en dergelijke, alleen binnen BIII en BIV en uitsluitend binnen de zone waarin open opslag is toegestaan.

Voorzover hier van belang stelt het twaalfde lid van artikel 3 voor de verlening van vrijstelling de voorwaarden dat:

(1) de afwijking noodzakelijk is uit een oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en een efficiënt gebruik van het bouwperceel of de bouwpercelen;

(2) de functionele en ruimtelijke structuur niet onevenredig wordt aangetast;

(3) de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast;

(4) de verkeersveiligheid, brandveiligheid c.q. brand- en rampenbestrijdingsmogelijkheden zijn gewaarborgd;

(5) op het bouwperceel parkeer, laad- en losruimte van voldoende omvang aanwezig is c.q. zijn;

(6) de waterhuishoudkundige belangen niet onevenredig worden geschaad;

(7) (…).

Ingevolge artikel 3, achtste lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften gelden de aanduidingen op de plankaart wat betreft de bouwhoogte van de bedrijfsgebouwen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 6, van de planvoorschriften wordt onder bedrijfsgebouw verstaan een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten.

2.4.2.3.    Voorzover artikel 3, twaalfde lid, onder f, sub 2 en sub 3, van de planvoorschriften voorziet in de bevoegdheid vrijstelling te verlenen van de voorgeschreven bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, overweegt de Afdeling het volgende.

Volgens de aanhef van het twaalfde lid, onder f, is het college bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het achtste lid. Het achtste lid van artikel 3 heeft evenwel geen betrekking op bouwwerken geen gebouwen zijnde, maar op bedrijfsgebouwen. De bouwvoorschriften voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn daarentegen neergelegd in het elfde lid van artikel 3. Hieruit volgt dat de vrijstellingsbevoegdheid in artikel 3, twaalfde lid, onder f, sub 2 en sub 3, van de planvoorschriften, voorzover deze onderdelen betrekking hebben op vrijstellingen van de maximum bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten onrechte is gebaseerd op artikel 3, achtste lid.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de voorschriften in zoverre niet op de juiste wijze op elkaar zijn afgestemd, hetgeen uit een oogpunt van rechtszekerheid onaanvaardbaar is.

Gelet op artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met het rechtszekerheidsbeginsel heeft verweerder derhalve ten onrechte goedkeuring verleend aan artikel 3, twaalfde lid, onder f, sub 2, voorzover het betreft de zinsnede “en bouwwerken, geen gebouwen zijnde” en artikel 3, twaalfde lid, onder f, sub 3 van de planvoorschriften.

Het beroep van appellanten is op dit punt gegrond en het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. Nu er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling aanleiding om goedkeuring te onthouden aan de hiervoor genoemde zinsnede uit artikel 3, twaalfde lid, onder f, sub 2, en aan artikel 3, twaalfde lid, onder f, sub 3, van de planvoorschriften.

2.4.2.4.    Wat betreft artikel 3, twaalfde lid, onder f, sub 2, van de planvoorschriften, voorzover dat betrekking heeft op vrijstelling van de maximumhoogte voor gebouwen, wordt het volgende overwogen.

Naar aanleiding van de bedenking van appellanten heeft verweerder gewezen op de voorwaarden die aan de verlening van een vrijstelling zijn verbonden, en op het beeldkwaliteitplan. Uit het bestreden besluit blijkt echter niet dat verweerder een afweging heeft gemaakt aangaande de aanvaardbaarheid van de bij vrijstelling maximaal mogelijk te maken bouwhoogten enerzijds en de gevolgen van die bouwhoogten voor de ruimtelijke uitstraling op de omgeving anderzijds.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet op een draagkrachtige motivering berust. In verband hiermee is het beroep van appellanten in zoverre gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht voorzover verweerder daarbij goedkeuring heeft verleend aan de zinsnede “van 12 naar 18 meter voor gebouwen” in artikel 3, twaalfde lid, onder f, sub 2, van de planvoorschriften.

2.4.3.    Appellanten stellen verder dat het plan onvoldoende bescherming biedt aan een solitaire eik die langs de toegangsweg naar hun woonperceel staat. Verweerder had het plan volgens hen daarom in zoverre niet mogen goedkeuren.

2.4.3.1.    De gemeenteraad heeft aan de gronden waarop de eik staat, de bestemming “Woondoeleinden” toegekend. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat geen mogelijkheden bestaan om de eik rechtstreeks te beschermen. Voor het kappen van de boom is wel een kapvergunning vereist, aldus de gemeenteraad.

2.4.3.2.    Verweerder heeft geen reden gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het betrokken plandeel goedgekeurd. Hij heeft met het standpunt van de gemeenteraad ingestemd.

2.4.3.3.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder bij de beoordeling van de desbetreffende bedenking van appellanten ten onrechte volstaan met een verwijzing naar de vergunningplicht die op grond van de gemeentelijke Kapverordening geldt voor het vellen van de door appellanten bedoelde eik. Gelet op het onder 2.1.2. omschreven toetsingskader had verweerder moeten beoordelen of de eik al dan niet zodanig waardevol is dat uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening voor die boom een regeling ter instandhouding en bescherming had moeten worden getroffen. De Afdeling merkt in dit verband op dat artikel 10B van de planvoorschriften voorziet in de medebestemming “Waardevolle bomen”.

Hieruit volgt dat verweerder het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid. In verband hiermee is het beroep van appellanten op dit punt gegrond en dient het bestreden besluit voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden” zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart, te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd omtrent het niet als zodanig bestemmen van hun woning, en de onthouding van goedkeuring aan de woorden “geheel of” in artikel 13, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

De Afdeling ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd, evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat deze punten betreft anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre het plan terecht heeft goedgekeurd.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 3]

2.6.    Appellanten stellen dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd. Zij menen dat het bedrijventerrein een directe ontsluiting op de Haaksbergseweg dient te krijgen.

2.6.1.    De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het plan ervoor gekozen het bedrijventerrein via de Oude Eibergseweg te ontsluiten. Daarbij heeft de raad zich gebaseerd op nader onderzoek van het bureau Goudappel Coffeng.

2.6.2.    Verweerder heeft geen reden gezien het plan wat betreft de ontsluitingsstructuur in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het in zoverre goedgekeurd. Verweerder is van mening dat de Oude Eibergseweg voldoende capaciteit heeft om de toeneming van het verkeer als gevolg van de ontwikkeling van het bedrijventerrein op te vangen.

2.6.3.    Aan de besluitvorming inzake het bestemmingsplan hebben de gemeenteraad en verweerder het rapport “Ontsluiting bedrijventerrein ‘De Russchemors’” van bureau Goudappel Coffeng (8 april 2002) ten grondslag gelegd. Dit rapport bevat een beschrijving van het onderzoek naar de effecten van verschillende ontsluitingsmogelijkheden van het bedrijventerrein.

2.6.4.    Appellanten hebben geen bezwaren aangevoerd op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat het onderzoek van Goudappel Coffeng zodanige gebreken of onjuistheden vertoont dat verweerder hier niet van mocht uitgaan. Gelet op het rapport van Goudappel Coffeng en het deskundigenbericht, bestaat geen grond voor het oordeel dat de capaciteit van de Oude Eibergseweg onvoldoende zou zijn voor de afwikkeling van het verkeer als gevolg van het bedrijventerrein De Russchemors. Gelet hierop is het niet onredelijk dat verweerder een rechtstreekse ontsluiting van het bedrijventerrein op de Haaksbergseweg niet nodig heeft geacht.

2.6.5.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan wat betreft de ontsluitingsstructuur van het bedrijventerrein niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellanten sub 3], voorzover ontvankelijk, is ongegrond.

2.7.    Ten aanzien van [appellanten sub 2] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van [appellante sub 1] en [appellanten sub 3] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van:

a.    [appellanten sub 2], voorzover het betreft de toegangsweg aan de zuid(west)zijde van het plandeel met de bestemming "Groenvoorzieningen" en de aanduiding "Waardevolle bomen", en

b.    [appellanten sub 3], voorzover het betreft de noodzaak van het bedrijventerrein en de locatiekeuze, de hogere grenswaarden in verband met geluidhinder, de aanvaardbaarheid van zwaardere categorieën bedrijven, en de verkeersveiligheid,

niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van [appellanten sub 2] gedeeltelijk gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 14 oktober 2003, kenmerk RE2003.31857, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan:

a.    de zinsnede “en bouwwerken, geen gebouwen zijnde” in artikel 3, twaalfde lid, onder f, sub 2, van de planvoorschriften,

b.    artikel 3, twaalfde lid, onder f, sub 3 van de planvoorschriften,

c.    de zinsnede “van 12 naar 18 meter voor gebouwen” in artikel 3, twaalfde lid, onder f, sub 2, van de planvoorschriften, en

d.    het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden” zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart;

IV.    onthoudt goedkeuring aan:

a.    de zinsnede “en bouwwerken, geen gebouwen zijnde” in artikel 3, twaalfde lid, onder f, sub 2 van de planvoorschriften,

b.    artikel 3, twaalfde lid, onder f, sub 3 van de planvoorschriften;

V.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit wat betreft de onder IV genoemde planvoorschriften;

VI.    verklaart de beroepen van [appellante sub 1] geheel, [appellanten sub 2], en [appellanten sub 3], voor het overige ongegrond;

VII.    gelast dat de provincie Gelderland aan [appellanten sub 2] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton    w.g. Broekman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2004

-400.