Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR5042

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-10-2004
Datum publicatie
03-11-2004
Zaaknummer
200406994/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2002, kenmerk Gwk/mil/cc/12297, heeft verweerder krachtens het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) een nadere eis gesteld met betrekking tot een door verzoekster gedreven inrichting op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406994/2.

Datum uitspraak: 25 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Hillegom,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2002, kenmerk Gwk/mil/cc/12297, heeft verweerder krachtens het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) een nadere eis gesteld met betrekking tot een door verzoekster gedreven inrichting op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 9 juli 2004, verzonden op 12 juli 2004, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 18 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 september 2004.

Bij brief van 17 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 20 september 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 september 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door A. Vreeswijk en ing. M. Boers, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door ir. G.H.M. Olde Monnikhof en drs. H.P. van de Ven, beiden ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Niet in geschil is dat het Besluit op de inrichting van toepassing is.

2.3.    Artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit bepaalt, voorzover hier van belang, dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen met betrekking tot de in de bijlage opgenomen voorschriften ten aanzien van geluid en trilling, voorzover dat in hoofdstuk 4 van die bijlage is aangegeven.

   In voorschrift 4.1.1 van de bijlage behorende bij het Besluit is bepaald dat in gevallen waarin de in voorschrift 1.1.1 en 1.1.3 opgenomen waarden voor langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) en piekniveaus (LAmax) naar het oordeel van het bevoegd gezag te hoog of te laag zijn, het bevoegd gezag voor een inrichting bij nadere eis waarden kan vaststellen die lager of hoger zijn dan de in voorschrift 1.1.1 of 1.1.3 opgenomen waarden.

   In voorschrift 4.1.5 van de bijlage is, voorzover hier van belang, bepaald dat het bevoegd gezag bij nadere eis voor trillingen als bedoeld in voorschrift 1.1.2 een andere trillingsterkte kan toelaten.

2.4.    Verweerder is overgegaan tot het stellen van de nadere eis in verband met de - middels een besluit op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening mogelijk gemaakte - bouw van een woning naast de inrichting (hierna: de nieuwbouw).

   Omdat de inrichting als gevolg van de nieuwbouw niet meer kan voldoen aan de ingevolge het Besluit geldende geluidgrenswaarde voor het langtijdgemiddeld geluidniveau in de dagperiode van 50 dB(A), heeft verweerder bij nadere eis bepaald dat het langtijdgemiddeld geluidniveau op de gevel van de nieuwbouw in die periode ten hoogste 53 dB(A) mag bedragen.

2.5.    Verzoekster kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Zij betoogt in dit verband onder meer dat ten onrechte geen nadere eisen zijn gesteld die zien op de vanwege de inrichting veroorzaakte piekgeluiden en trillingen. Zij vreest dat zij vanwege de geringe afstand tussen de inrichting en de nieuwbouw niet meer aan de gestelde grenswaarden voor piekgeluiden en trillingen kan voldoen en dientengevolge in haar bedrijfsvoering zal worden beperkt. Verzoekster heeft ter zitting te kennen gegeven dat het verzoek ertoe strekt dat het besluit tot het stellen van de nadere eis bij wijze van voorlopige voorziening wordt geschorst.

2.6.    Vast staat dat als gevolg van de geringe afstand van de nieuwbouw tot de inrichting, ter plaatse van de nieuwbouw niet kan worden voldaan aan de in voorschrift 1.1.1 van de bijlage bij het Besluit opgenomen grenswaarden voor zowel het langtijdgemiddeld geluidniveau in de dagperiode, als voor het maximale geluidniveau in de avond- en nachtperiode. Tevens overweegt de Voorzitter dat op voorhand niet kan worden uitgesloten dat bij de nieuwbouw aan de op grond van voorschrift 1.1.2 van de bijlage voorgeschreven trillingsterkte kan worden voldaan.

   Naar het oordeel van de Voorzitter heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij onder deze omstandigheden slechts een nadere eis met betrekking tot het langtijdgemiddeld geluidniveau heeft gesteld, en een nadere eis met betrekking tot het maximale geluidniveau achterwege heeft gelaten. De stelling van verweerder dat de grenswaarden voor het maximale geluidniveau (ook) worden overschreden bij andere, verder weg gelegen, woningen is daarvoor niet voldoende. De Voorzitter is verder van oordeel dat verweerder in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende kennis heeft vergaard omtrent de vraag of vanwege de nieuwbouw nog aan de op grond van voorschrift 1.1.2 van de bijlage voorgeschreven trillingsterkte kan worden voldaan.

2.7.    Hoewel de Voorzitter het, gelet op het vorenstaande, voorshands niet uitgesloten acht dat het bestreden besluit in de hoofdzaak niet in stand zal kunnen blijven, ziet hij geen grond om de door verzoekster gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Het schorsen van het besluit tot het stellen van de nadere eis, als door verzoekster gevraagd, zou ertoe leiden dat de bij die nadere eis tot stand gebrachte versoepeling van de voor de inrichting geldende geluidnormen teniet zou worden gedaan. Inwilliging van het verzoek zou verzoekster derhalve uitsluitend in een nadeliger positie brengen.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink    w.g. Van der Maesen de Sombreff

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2004

190-415.