Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR4965

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-05-2004
Datum publicatie
03-05-2006
Zaaknummer
200400848/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvullen rechtsgronden / gezinsleven.

Nu de staatssecretaris zich in het primaire besluit op het standpunt heeft gesteld dat het afwijzen van de aanvraag geen inmenging in het familie- of gezinsleven van appellante betekent, en appellante in haar beroepschrift heeft aangevoerd dat het onbegrijpelijk en in strijd met de zorgvuldigheid is dat appellante en haar kinderen nooit verblijf bij haar partner kunnen verkrijgen, heeft de rechtbank, in het licht van artikel 8:69, tweede lid, Awb, ten onrechte het beroep op schending van artikel 8 EVRM, welke verdragsbepaling pas ter zitting uitdrukkelijk is ingeroepen, wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing gelaten. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenwel geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris de gevraagde verblijfsvergunning ten onrechte niet heeft verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RAAD VAN STATE

200400848/1

Datum uitspraak: 10 mei 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

A, mede ten behoeve van haar minderjarige kinderen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 6 januari 2004 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellante om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 30 januari 2002 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 6 januari 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 28 januari 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 10 februari 2004 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Hetgeen in de grieven 1, 2 en 4 naar voren is gebracht, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met dat oordeel volstaan.

2.2. In grief 3 klaagt appellante dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op haar betoog dat artikel 3 (lees: 8) van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) is geschonden. Volgens haar kan het eerst ter zitting houden van dit betoog geen reden zijn om hierop niet in te gaan.

2.2.1. Deze grief kan niet tot het beoogde doel leiden. Nu de staatssecretaris zich in het primaire besluit op het standpunt heeft gesteld dat het afwijzen van de aanvraag geen inmenging in het familie- of gezinsleven van appellante betekent, en appellante in haar beroepschrift heeft aangevoerd dat het onbegrijpelijk en in strijd met de zorgvuldigheid is dat appellante en haar kinderen nooit verblijf bij haar partner kunnen verkrijgen, heeft de rechtbank, in het licht van artikel 8:69, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, ten onrechte het beroep op schending van artikel 8 van het EVRM, welke verdragsbepaling pas ter zitting uitdrukkelijk is ingeroepen, wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing gelaten. In hetgeen appellante terzake heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenwel geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris de gevraagde verblijfsvergunning ten onrechte niet heeft verleend. De staatssecretaris heeft zich in het in beroep bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat afwijzing van de aanvraag geen inmenging in het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM betekent, omdat appellante geen verblijfstitel wordt ontnomen die haar tot uitoefening daarvan hier te lande in staat stelde. De staatssecretaris heeft voorts met juistheid overwogen dat niet is gebleken van zodanig bijzondere feiten of omstandigheden dat daaruit de positieve verplichting voortvloeit appellante hier te lande verblijf toe te staan, aangezien geen sprake is van een objectief beletsel om het familie- of gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop zij rust, te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P. Glerum, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Glerum

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2004

279

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,