Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR4789

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-10-2004
Datum publicatie
29-10-2004
Zaaknummer
200408599/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juli 2004, kenmerk NL 111204, heeft verweerder niet ingestemd met de uitvoer van 8.000.000 kg zwavelzuur naar Duitsland op grond van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: de Verordening).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200408599/1.

Datum uitspraak: 25 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen :

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Solvay Chemie B.V." en Grillo-Werke AG, gevestigd respectievelijk te Herten en Duisburg (Duitsland),

verzoeksters,

en

de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

Bij besluit van 22 juli 2004, kenmerk NL 111204, heeft verweerder niet ingestemd met de uitvoer van 8.000.000 kg zwavelzuur naar Duitsland op grond van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna: de Verordening).

Tegen dit besluit hebben verzoeksters bezwaar gemaakt.

Bij brief van 21 oktober 2004, bij de Raad van State ingekomen op 21 oktober 2004, hebben verzoeksters de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 oktober 2004, waar verzoeksters, vertegenwoordigd door mr. B.J.M. Veldhoven, advocaat te Den Haag, in aanwezigheid van [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Piras en mr. M.H.M. Meijer, ambtenaren van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, zijn verschenen.

De Voorzitter heeft

I. bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 22 juli 2004, NL 111204, geschorst tot 6 weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar met dien verstande dat indien binnen die termijn om het treffen van een voorlopige voorziening wordt verzocht de schorsing doorloopt totdat op het verzoek is beslist;

II. de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer veroordeeld in de door verzoeksters in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) te worden betaald aan verzoeksters;

III. de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) gelast aan verzoeksters het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 273,00) te vergoeden.

Daartoe heeft hij het volgende overwogen.

Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift na afloop van de bezwaartermijn is ingediend, zodat verzoeksters niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun bezwaren.

naar het oordeel van de Voorzitter is het niet onaannemelijk dat is voldaan aan artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht; dat evenwel zulks eerst definitief kan worden beoordeeld bij de beslissing op bezwaar.

Verzoeksters kunnen zich niet verenigen met voornoemd besluit, waarbij verweerder wegens het ontbreken van de gegevens op vak 6 van het kennisgevingsformulier niet heeft ingestemd met de uitvoer van zwavelzuur naar Duitsland op grond van de Verordening. Verzoeksters betogen dat zij tijdig de door verweerder verzochte aanvullende informatie hebben verschaft, zodat verweerder niet langer bezwaar kon maken tegen de voorgenomen overbrenging.

Van de zijde van verzoeksters is, onder de omstandigheden van het geval, door het zenden van onder meer de faxen op 1 juli 2004 en 8 juli 2004 voldoende inspanning betracht om het verzuim – het niet ingevuld zijn van vak 6 van het kennisgevingsformulier – te herstellen. Op grond van het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat het ingevulde, officiële, kennisgevingsformulier zou zijn ontvangen buiten de termijn gegund voor het maken van bezwaar tegen de voorgenomen uitvoer door verweerder.

De Voorzitter overweegt voorts dat verweerder blijkens het verhandelde ter zitting op zich geen bezwaar heeft tegen de voorgenomen uitvoer.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is er naar het oordeel van de Voorzitter sprake van een spoedeisend belang. De Voorzitter ziet mitsdien aanleiding tot inwilliging van het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.

Uitgesproken in het openbaar overeenkomstig artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht door mr. K. Brink, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Montagne

Voorzitter ambtenaar van Staat

374