Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR4642

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-10-2004
Datum publicatie
27-10-2004
Zaaknummer
200306885/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 februari 2003 heeft de gemeenteraad van Arnhem, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 7 januari 2003, het bestemmingsplan "Buitengebied Arnhem-Noord" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 15
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2004/3883
Module Ruimtelijke ordening 2004/725 met annotatie van L.E.M. Bijl
JOM 2007/739
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200306885/1.

Datum uitspraak: 27 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Likon B.V.", gevestigd te Nieuwleusen,

2.    [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    de stichting "Stichting het Nationale Park de Hoge Veluwe", gevestigd te Hoenderloo,

4.    de vereniging "IVN Vereniging voor Natuur en Milieueducatie", gevestigd te Arnhem,

5.    [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6.    de Staatssecretaris van Defensie,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2003 heeft de gemeenteraad van Arnhem, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 7 januari 2003, het bestemmingsplan "Buitengebied Arnhem-Noord" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 23 september 2003, no. RE2003.26953, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 3 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 4 november 2003, appellanten sub 2 bij brief van 6 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 11 november 2003, appellante sub 3 bij faxbericht van 14 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, appellante sub 4 bij brief van 19 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, appellant sub 5 bij faxbericht van 19 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en appellant sub 6 eveneens bij faxbericht van 19 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 31 november 2003. Appellant sub 5 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 19 december 2003.

Bij brief van 27 januari 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht (hierna: het deskundigenbericht) uitgebracht, gedateerd 4 juni 2004. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 augustus 2004, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, en door H. van den Kamp, gemachtigde, appellanten sub 2, in de persoon van [een van de appellanten sub 2], appellante sub 4, vertegenwoordigd door mr. J.A. Wols, gemachtigde, appellant sub 5, in persoon, appellant sub 6, vertegenwoordigd door mr. H. Zilverberg, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Arnhem, vertegenwoordigd door mr. drs. M. Bekamp, drs. E. Venema en mr. A.G.A.M. Meijers, allen ambtenaar van de gemeente, en als belanghebbenden [belanghebbende 1], in persoon en vertegenwoordigd door mr. I. Smeenk, advocaat te Nijmegen, [belanghebbende 2], eveneens vertegenwoordigd door mr. I. Smeenk, advocaat te Nijmegen, en NOC NSF, vertegenwoordigd door J. Claessens, gemachtigde. Appellante sub 3 is, met bericht van afwezigheid, niet verschenen.

2.    Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1.    [appellanten sub 2] hebben niet binnen de in artikel 23, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gestelde termijn een zienswijze tegen het ontwerpplan ingebracht bij de gemeenteraad. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten slechts worden ingesteld door degene die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de gemeenteraad heeft ingebracht.

Dit is slechts anders voorzover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen.

Geen van deze omstandigheden doet zich voor. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door appellanten gestelde omstandigheid dat de termijn te kort was om het ontwerpplan te bestuderen en met elkaar te overleggen.

Wat betreft het bezwaar van appellanten dat bij de planvaststelling een toevoeging aan de plantoelichting heeft plaatsgevonden, overweegt de Afdeling het volgende. Het plan zelf is wat dit punt betreft niet gewijzigd. Ingevolge artikel 12, tweede lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 gaat een bestemmingsplan vergezeld van een toelichting, maar deze maakt, gelet op het bepaalde in het eerste lid van dit artikel, geen deel uit van het plan. Dit beroepsonderdeel van appellanten heeft daarom geen betrekking op wijzigingen die de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin ten opzichte van het ontwerpplan heeft aangebracht.

Gelet hierop is het beroep van appellanten, voorzover het is gericht tegen onduidelijkheid over de termen ‘wildwissel’ en ‘ecologische zone’, tegen de aanwijzing van ecologische verbindingszones in het plan en de gevolgen daarvan, en tegen een toevoeging aan de plantoelichting dan ook niet-ontvankelijk.

Het toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een aantal geschillen inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.3.    Het plan voorziet in een actualisering van de juridisch-planologische regeling van het noordelijke buitengebied van de gemeente Arnhem. Het plan vervangt het bestemmingsplan “Buitengebied-Noord”, dat is vastgesteld op 22 september 1986, en enkele partiële herzieningen.

Inhoudelijke bezwaren

Het beroep van de Stichting het Nationale Park de Hoge Veluwe

2.4.    Naar aanleiding van de door appellante ingebrachte zienswijze, heeft de gemeenteraad besloten een wijziging aan te brengen ten opzichte van het ontwerpplan. Op de gronden grenzend aan de bestaande parkeermogelijkheden bij restaurant Rijzenburg is een aanduiding opgenomen inhoudende dat ter plaatse onverhard parkeren is toegestaan. De gemeenteraad heeft hierbij betoogd dat het gaat om overloopparkeerplaatsen voor het park die slechts gebruikt zullen worden op piekdagen.

2.4.1.    Verweerder heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat het plan niet voorziet in parkeermogelijkheden die slechts gebruikt zullen worden op piekdagen, maar in permanente parkeermogelijkheden. Gelet hierop heeft verweerder de aanduiding “onverharde parkeervoorziening” behorende bij de bestemming “Agrarische doeleinden met behoud van landschappelijke waarden” en artikel 2.7, eerste lid, onder d, van de planvoorschriften in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en hieraan goedkeuring onthouden.

2.4.2.    Appellante heeft in beroep gesteld dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de bovengenoemde aanduiding en bepaling. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat verweerder een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt. Zij is van mening dat er een dringende noodzaak is voor extra parkeergelegenheid en stelt dat deze slechts op drukke dagen zal worden gebruikt.  

2.4.3.    Ter zitting is vast komen te staan dat verweerder geen bezwaar heeft tegen een parkeergelegenheid ter plaatse, mits die enkel open wordt gesteld op piekdagen en mits bij de inrichting van het perceel en bij de bepaling van het aantal piekdagen rekening wordt gehouden met de belangen van omwonenden. Daartoe zal volgens het door verweerder ter zitting ingenomen standpunt in het plan, als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, een regeling moeten worden opgenomen die het gebruik van de parkeergelegenheid beperkt tot bepaalde piekdagen. De Afdeling acht dit als uitgangspunt niet onredelijk. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is in dit kader gebleken dat het plan onbedoeld voorziet in een parkeergelegenheid voor permanent gebruik.    

2.4.4.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan bovengenoemde aanduiding en bepaling.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van de Staatssecretaris van Defensie

2.5.    De gemeenteraad heeft het bestemmingsplan naar aanleiding van een zienswijze van VROM-inspectie regio-oost gewijzigd vastgesteld ten opzichte van het ontwerpplan door een bijlage op te nemen waarin is aangegeven hoe groot de feitelijke bebouwingsoppervlakte is van bepaalde objecten, zoals militaire complexen, campings en hotels, en hoe die oppervlakte zich verhoudt tot het bebouwingspercentage per object.

2.5.1.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan met betrekking tot bepaalde grote complexen ten onrechte voorziet in dezelfde bebouwingsmogelijkheden als in het vorige bestemmingsplan dat is vastgesteld in 1986. Ten aanzien van de militaire complexen Oranjekazerne, Groot Heidekamp, MOB en Klein Heidekamp heeft verweerder aangevoerd dat nog niet duidelijk is hoe het toekomstige gebruik ervan ingevuld gaat worden, maar dat wel duidelijk is dat een deel van de terreinen aan militair gebruik onttrokken zal worden. Daarom is verweerder van mening dat de noodzaak tot uitbreiding van de bebouwingsmogelijkheden van 14 hectare naar 19,1 hectare, onduidelijk is. Gelet hierop acht verweerder de in het plan opgenomen bebouwingspercentages voor de militaire complexen in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft hij hieraan goedkeuring onthouden.

2.5.2.    Appellant heeft in beroep gesteld dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de aanduiding “bebouwingspercentage” voorzover deze betrekking heeft op bovengenoemde militaire complexen.

Een deel van de in het plangebied aanwezige militaire complexen zal op termijn aan het militaire gebruik worden onttrokken, dit geldt echter niet voor de Oranjekazerne, Groot Heidekamp, MOB en Klein Heidekamp, aldus appellant. De Oranjekazerne, Groot Heidekamp en MOB worden juist samengevoegd tot één complex om daarop de totale Luchtmobiele Brigade te huisvesten. Nu verweerder goedkeuring heeft onthouden aan de bebouwingspercentages wordt dit voornemen vooralsnog onmogelijk gemaakt.

2.5.2.1.      De Afdeling overweegt dat de bestaande bebouwing op de Oranjekazerne, Groot Heidekamp, MOB en Klein Heidekamp als gevolg van het plan uitgebreid kan worden met 5,1 hectare.

Appellant heeft aangegeven dat er naar wordt gestreefd om de Luchtmobiele Brigade te huisvesten op een concentratie van de complexen Oranjekazerne, Groot Heidekamp en MOB. Vast staat dat daarvoor aan de gemeenteraad is verzocht om meer bebouwingsmogelijkheden op te nemen dan de thans bestaande bebouwing. Naar de Afdeling verder vaststelt was het ten tijde van het bestreden besluit evenwel niet duidelijk hoe het toekomstige gebruik van de complexen ingevuld zou gaan worden en waarvoor de uitbreidingen zouden worden gebruikt. Anders dan appellant stelt blijkt hiervan niet genoegzaam uit de door hem aangehaalde brief van de Eerstaangewezend Ingenieur Directeur Directie Noord van 18 juni 2002. Gelet hierop heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat ten tijde van het bestreden besluit onvoldoende vast stond dat voor de huisvesting van de Luchtmobiele Brigade een uitbreiding van bebouwingsmogelijkheden van 5,1 hectare nodig is.

Voorzover appellant ter zitting heeft gewezen op het door hem met betrekking tot de noodzaak van de uitbreiding overgelegde onderzoeksrapport van DGW&T Directie Noord, kenmerk 133, 22 april 2004, overweegt de Afdeling dat dit rapport, wat hier ook van zij, is gedateerd van na het bestreden besluit. Dit betekent dat verweerder niet kan worden tegengeworpen dat hij het rapport niet in zijn besluitvorming heeft betrokken.

2.5.3.    De gemeenteraad heeft aan het militaire complex MOB de bestemming “Militaire doeleinden” en de aanduiding “(op)” toegekend.

2.5.3.1.    Verweerder heeft onder meer het plandeel met zowel deze bestemming als aanduiding en de artikelen 2.35, tweede lid, laatste volzin, en 2.8, eerste lid, onder a, sub iv, van de planvoorschriften in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft hieraan goedkeuring onthouden.

Deze laatst genoemde bepaling voorziet in een bestemming voor magazijnen en munitie-opslagplaatsen, voorzover op de plankaart een aanduiding is aangegeven en het gebied begrensd is door de “grens munitie-opslagplaats”.

Verweerder heeft aangevoerd dat op de gronden met de bestemming “Militaire doeleinden” en de aanduiding “(op)” munitie-opslagplaatsen kunnen voorkomen. Binnen de wat betreft veiligheid meest risicovolle zone A bevinden zich een openbare parkeerplaats met ontsluitingsweg en een deel van de snelweg A12. Deze functies komen naar het standpunt van verweerder slechts gedeeltelijk in aanmerking voor amovering. Gelet hierop en gezien het veiligheidsrisico is verweerder van mening dat de munitieopslagplaatsen niet positief kunnen worden bestemd.

2.5.3.2.    Appellant heeft in beroep gesteld dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan bovengenoemde plan(onder)delen.

Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de ingebrachte bedenking van VROM-inspectie regio-oost geen aanleiding geeft om goedkeuring te onthouden aan de mogelijkheid om ter plaatse munitie op te slaan, nu deze bedenking zich enkel richtte tegen het bestemmen van een openbare parkeerplaats en ontsluitingsweg binnen de veiligheidszone A. Voorts heeft hij aangevoerd dat het om een bestaande situatie gaat die in het vorige plan reeds als zodanig was bestemd. De enkele omstandigheid dat sprake is van een inbreuk op de veiligheidszone, betekent naar zijn mening nog niet dat er uit oogpunt van veiligheid een onaanvaardbare situatie bestaat. Verweerder heeft geen onderzoek gedaan naar de veiligheidssituatie, aldus appellant.

2.5.3.3.    Voorzover appellant heeft aangevoerd dat het besluit van verweerder verder strekt dan waartoe in de ingebrachte bedenking van VROM-inspectie regio-oost is verzocht, overweegt de Afdeling het volgende.

Ingevolge artikel 28, tweede lid, laatste volzin, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan aan een plan of een deel van een plan goedkeuring worden onthouden indien de ingebrachte bedenkingen daartoe aanleiding geven, danwel wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening. Gelet hierop kan het besluit van verweerder verder strekken dan waartoe is verzocht in de ingebrachte bedenking.

2.5.3.4.    Het MOB heeft in dit plan de bestemming “Militaire doeleinden” en de aanduiding “(op)” gekregen. De munitieopslag vindt plaats in kleine lage bunkers die zijn afgeschermd door aarden wallen.

Op de plankaart zijn drie militaire belemmeringszones, te weten zone A, B en C, aangegeven. Ingevolge artikel 2.35, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften mogen binnen zone A geen gebouwen worden opgericht en geen openbare wegen, personenspoorwegen, drukbevaren waterwegen, parkeerterreinen en recreatievoorzieningen worden gerealiseerd.

Ingevolge dit artikellid, onder b, van de planvoorschriften mogen binnen zone B geen gebouwen worden opgericht, waarin zich regelmatig personen zullen bevinden, alsmede recreatieve voorzieningen, welke grote aantallen recreanten trekken, en geen hoofdverkeerswegen worden aangelegd.

Ingevolge het artikellid, onder c, van de planvoorschriften mogen binnen zone C geen gebouwen met een vlies- of gordijngevelconstructie, dan wel met gevels geheel of overwegend bestaande uit glas, waarin zich in de regel meer dan 25 personen bevinden, worden gebouwd.

In het artikellid, onder d, van de planvoorschriften staat dat binnen de totale veiligheidszonering (militaire belemmeringszones A, B en C) geen gebouwen mogen worden opgericht ten behoeve van activiteiten die over en weer hetzij direct, hetzij indirect een onevenredig gevaar voor de veiligheid vormen of kunnen vormen. Ingevolge de laatste volzin van artikel 2.35, tweede lid, van de planvoorschriften, waaraan goedkeuring is onthouden, zijn de veiligheidsvoorschriften met betrekking tot de militaire belemmeringszones niet van toepassing op bestaande bouwwerken.

Vast staat dat een deel van de snelweg A12 en een openbare parkeerplaats met ontsluitingsweg in de militaire belemmeringszone A liggen. Dit betekent dat deze functies op een afstand van minder dan 250 meter van de munitieopslag liggen.

Vast staat voorts dat gegevens ontbreken ter beoordeling van de vraag of deze bestaande inbreuken op de in het kader van de zonering externe veiligheid munitie-opslag aangehouden veiligheidszone A aanvaardbaar zijn. Het verwijt van appellant dat verweerder ten onrechte geen nader onderzoek heeft gedaan naar de veiligheidssituatie treft geen doel. Ter zitting is immers gebleken dat verweerder niet de mogelijkheid had te beschikken over de voor het opmaken van een zogeheten risico-analyse benodigde gegevens. Van de voor de munitie-opslag verleende milieuvergunning, waarop de in het plan opgenomen zones zijn gebaseerd, kon verweerder in verband met de daaraan gegeven classificatie geen kennis nemen en ook anderszins was hij niet op de hoogte van de aard en omvang van de voorraden die in de munitie-opslagplaats mogen worden opgeslagen.

2.5.4.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op deze punten in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel en aan de planonderdelen.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van Likon B.V.

2.6.    Appellante is houder van het westelijke deel van het kampeerterrein “Camping de Hooge Veluwe” op het perceel Koningsweg 14 te Arnhem. Zij heeft in beroep gesteld dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming op haar terrein, nu niet is voorzien in de mogelijkheid stacaravans te plaatsen. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat bij haar daaromtrent gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt. Verder blijkt naar haar mening uit de omstandigheid dat een aanlegvergunning voor het kappen van bomen ten behoeve van 65 vaste standplaatsen is verleend, dat van een aantasting van de landschappelijke waarden geen sprake is.

Voorts doet appellante een beroep op het gelijkheidsbeginsel, nu op andere kampeerterreinen wel stacaravans zijn toegestaan. Verder zijn stacaravans op haar terrein naar haar mening niet in strijd met de uitgangspunten van het Streekplan Gelderland 1996 (hierna: het streekplan) en is de ruimtelijke uitstraling van stacaravans niet anders dan die van toercaravans waarmee voor steeds een jaar standplaatsen worden ingenomen.

2.6.1.    De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat het terrein van appellante en de omgeving daarvan tot de Veluwe behoren en dat in dit gebied bijzondere landschappelijke waarden voorkomen. Tot behoud van die landschappelijke waarden is beleid opgesteld dat is opgenomen in de Verordening op de Openluchtrecreatie. Nieuw te plaatsen stacaravans op het terrein van appellante zouden afbreuk doen aan de landschappelijke waarden in het gebied en dit is in strijd met het gemeentelijke beleid.

2.6.2.    Verweerder heeft ingestemd met het standpunt van de gemeenteraad. Hij heeft geen reden gezien het plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit goedgekeurd.

2.6.3.    De Afdeling stelt voorop dat het betoog van appellante dat het streekplan zich volgens haar niet verzet tegen het toestaan van stacaravans op haar terrein haar niet kan baten, nu verweerder bij zijn besluit in elk geval rekening dient te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. In dit licht diende verweerder dan ook de door de gemeenteraad aan het terrein van appellante gegeven bestemming te bezien.

2.6.4.      De Afdeling stelt vast dat het terrein van appellante ligt op gronden met de bestemming “Recreatieve doeleinden met behoud van landschappelijke waarde-verblijfsrecreatie-cp”.

Ingevolge artikel 2.14, eerste lid, van de planvoorschriften, voorzover van belang, zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor verblijfsrecreatief gebruik van kampeermiddelen, met de daarbij behorende voorzieningen, waaronder horecabedrijven A tot en met C.

Ingevolge artikel 2.14, tweede lid, onder c, van de planvoorschriften mogen stacaravans slechts worden geplaatst op de gronden begrensd door de op de plankaart aangegeven aanduiding “grens standplaatsen stacaravans”.

Op 3 december 2001 is de hierboven vermelde Verordening op de Openluchtrecreatie door de raad van de gemeente Arnhem vastgesteld. Blijkens het raadsvoorstel tot vaststelling van die verordening is het beleid dat het college van burgemeester en wethouders bij de uitvoering van de verordening wenst te voeren erop gericht om permanente bewoning in en verstedelijking van de natuurgebieden waarin de campings zijn gelegen zo veel mogelijk tegen te gaan. Toeneming van bebouwing die zich leent voor permanente bewoning, waaronder stacaravans, zal niet worden toegestaan. Verweerder heeft, blijkens het verhandelde ter zitting, met dit beleid ingestemd. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan dit beleid toegepast.

Ter uitvoering van het hiervoor genoemde beleid is in januari 2002 een nulmeting gedaan teneinde de bestaande situatie vast te leggen. Nu er destijds op het terrein van appellante geen stacaravans aanwezig waren, is met inachtneming van het beleid in het plan geen mogelijkheid opgenomen om op dit terrein vaste standplaatsen aan te leggen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder in hetgeen is aangevoerd, geen aanleiding hoeven zien om een uitzondering op genoemd beleid te maken.

2.6.5.    Bij besluit van 8 juni 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders een aanlegvergunning verleend voor het kappen van 25 bomen ten behoeve van de aanleg van 65 seizoenplaatsen op de camping/buitenplaats “De Hooge Veluwe”. De Afdeling stelt vast dat ingevolge artikel 17, derde lid, onder A, van de voorschriften van het vorige plan, een aanlegvergunning was vereist voor het vellen, rooien of beschadigen van houtgewassen anders dan bij wijze van verzorging van de aanwezige houtopstand.

In dit artikellid, onder C, van de planvoorschriften staat dat de onder A vermelde werken of werkzaamheden slechts toelaatbaar zijn, indien daardoor dan wel door de daarvan te verwachten gevolgen, de op de gronden voorkomende landschapswaarden niet of slechts in geringe mate zouden worden aangetast.

Voorzover appellante heeft aangevoerd dat uit het verlenen van de aanlegvergunning reeds blijkt dat van aantasting van de landschappelijke waarden geen sprake is, overweegt de Afdeling dat de aanlegvergunning betrekking heeft op het kappen van bomen en niet op het plaatsen van stacaravans. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat bij appellante de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat het plan ter plaatse zou voorzien in stacaravans. Bovendien is appellante in een bij de verlening van de kapvergunning begeleidende brief erop gewezen dat haar terrein uitsluitend is bestemd voor het plaatsen van mobiele kampeervoertuigen.

In hetgeen door appellante verder is aangevoerd, ook wat betreft de verwijzing door appellante naar de Kampeerwet, ziet de Afdeling geen reden om anderszins te oordelen.

2.6.6.    Ook het betoog dat de ruimtelijke uitstraling van stacaravans niet anders is dan die van toercaravans slaagt niet, nu niet aannemelijk is dat standplaatsen voor toercaravans het hele jaar door bezet zijn.

Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ruimtelijke uitstraling van stacaravans niet dezelfde is als die van toercaravans.

2.6.7.    Ten aanzien van de door appellante gemaakte vergelijking met andere campings in de omgeving waar, anders dan op het terrein van appellante, stacaravans mogen worden geplaatst, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat die situatie zodanig overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie, dat verweerder om deze reden niet heeft kunnen instemmen met het plan.

De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat uit het deskundigenbericht is gebleken dat ten tijde van de in overweging 2.6.4. genoemde nulmeting, op de door appellante bedoelde campings reeds stacaravans aanwezig waren. Voorzover appellante heeft betoogd dat aan de “Camping Arnhem” in strijd met het beleid een vergunning is verleend voor een toeneming van het aantal stacaravans sinds de nulmeting, overweegt de Afdeling dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat bij de verkoop van “Camping Arnhem” afspraken waren gemaakt met de nieuwe exploitant, voordat de verordening vermeld in overweging 2.6.4. in werking was getreden. Met appellante zijn dergelijke afspraken niet gemaakt.

Voorzover appellante heeft betoogd dat “Camping Terlet” ten tijde van de nulmeting over 52 plaatsen voor stacaravans beschikte en dat in het plan wordt voorzien in 72 plaatsen voor stacaravans, overweegt de Afdeling het volgende. De gemeenteraad heeft ter zitting aangegeven dat het niet de bedoeling is dat het aantal plaatsen voor stacaravans in het plan een andere is dan het aantal dat aanwezig was ten tijde van de nulmeting en dat handhavend zal worden opgetreden op het moment dat een groter aantal plaatsen ten behoeve van stacaravans gebruikt worden.

2.6.8.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plandeel.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 2], voorzover ontvankelijk

2.7.    Appellanten hebben in beroep gesteld dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voorzover in de beschrijving in hoofdlijnen wijzigingen zijn aangebracht ten opzichte van het ontwerpplan. Hiertoe hebben zij aangevoerd dat aan de beschrijving in hoofdlijnen ten onrechte een artikellid is toegevoegd betreffende de Vogel- en Habitatrichtlijn.

2.7.1.    Verweerder heeft geen reden gezien dit planonderdeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het goedgekeurd.

2.7.2.    De Afdeling ziet in hetgeen door appellanten met betrekking tot dit beroepsonderdeel is gesteld geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met de toevoeging aan de beschrijving in hoofdlijnen.    

2.7.3.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het planonderdeel.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

Het beroep van IVN

2.8.    Appellante heeft in beroep gesteld dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 2.9, derde lid, van de planvoorschriften, dat voorziet in een vrijstellingsmogelijkheid voor het oprichten van lichtmasten met een hoogte van vijftien meter, voorzover het betrekking heeft op het terrein van de tennisvereniging “Schaarsbergen”. Voorts kan appellante zich niet verenigen met het bestreden besluit, voorzover verweerder goedkeuring heeft verleend aan artikel 2.10, derde lid, van de planvoorschriften, dat eenzelfde vrijstellingsmogelijkheid bevat, voorzover het artikel betrekking heeft op het terrein van de [hondensportvereniging]. Hiertoe heeft zij onder meer aangevoerd dat lichtmasten niet thuishoren in het buitengebied en dat licht schadelijk is voor de nachtelijke migratie van fauna in het natuurgebied Warnsborn en Landgoed Schaarsbergen. Naar haar mening zijn de beleidsregels voor lichtmasten bij sportverenigingen die ten grondslag hebben gelegen aan dit plan onzorgvuldig opgesteld.

2.8.1.    De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat een maximale hoogte van vijftien meter voor lichtmasten is toegestaan, omdat de nota “Beleidsregels lichtmasten bij sportvelden” (hierna: de nota), hiertoe de ruimte biedt.

2.8.2.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de beleidsregels in de nota zorgvuldig zijn opgesteld en de nodige waarborgen bieden. Hij heeft geen reden gezien de planonderdelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft hieraan goedkeuring verleend.

2.8.3.    Op 20 augustus 2002 heeft de gemeenteraad de nota vastgesteld.

In de nota zijn verschillende zones opgenomen. De tennisvereniging en de hondensportvereniging zijn gelegen in zones waarvoor op grond van het gemeentelijke beleid geldt dat geen vrijstelling voor een lichtmasten wordt verleend, tenzij door plaatsing van de lichtmasten niet meer dan geringe schade aan natuur en landschap aangericht zal worden.

2.8.4.    Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan bij een bestemmingsplan worden bepaald, dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd is van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen.

In artikel 2.9, derde lid, en artikel 2.10, derde lid, van de planvoorschriften staat dat het college van burgemeester en wethouders vrijstelling kan verlenen van het bepaalde in de hierna te noemen artikelen van de planvoorschriften ten behoeve van het oprichten van lichtmasten met een maximale hoogte van 15 meter.

In die artikelen, te weten artikel 1.2 en artikel 2.9, tweede lid, en artikel 2.10, tweede lid, van de planvoorschriften worden voornamelijk voorschriften gegeven over de wijze van meten en over bouwvoorschriften.

De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat de in overweging 2.8.1. vermelde nota uitgangspunt zal zijn bij de verlening van de vrijstelling voor lichtmasten ter plaatse van de tennisvereniging en de hondensportvereniging.

De Afdeling overweegt hieromtrent dat weliswaar in het gemeentelijke beleid voorwaarden zijn opgenomen waaronder de verlening van een vrijstelling is toegestaan, maar dat in de vrijstellingsbepalingen van het plan ten onrechte niet tot uitdrukking komt in welke gevallen en onder welke voorwaarden van de vrijstellingsbevoegdheid gebruik kan worden gemaakt.

2.8.5.    Gelet op het voorgaande is het plan op deze punten in strijd met artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Door het plan niettemin in zoverre goed te keuren heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit op deze punten dient te worden vernietigd.

Uit het voorgaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan artikel 2.9, derde lid, voorzover het betrekking heeft op het terrein van de tennisvereniging “Schaarsbergen” en aan artikel 2.10, derde lid, voorzover het betrekking heeft op het terrein van de [hondensportvereniging], van de planvoorschriften.

In dit verband merkt de Afdeling nog ten overvloede op dat in de vrijstellingsbepalingen van het plan als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, onder meer een belangenafweging zoals reeds in de in overweging 2.8.1. vermelde nota is opgenomen, tot uitdrukking kan worden gebracht.

Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

Het beroep van [appellant sub 5]

2.9.    Appellant maakt bezwaar tegen de vaststelling van het ontwerpplan in afwijking van het voorontwerp, nu met betrekking tot de betrokken planonderdelen geen inspraak mogelijk is geweest.

Voorop staat dat de gemeenteraad bij de vaststelling van een ontwerpplan kan afwijken van het voorontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het voorontwerp naar aard en omvang zo groot zijn, dat sprake is van een ander plan, dient de wettelijke procedure, met inbegrip van de inspraak, opnieuw doorlopen te worden.

Deze situatie doet zich in dit geval niet voor.

2.9.1.    Voorzover appellant zich op het standpunt heeft gesteld dat de periode tussen de voorontwerpfase en de ontwerpfase te lang heeft geduurd, overweegt de Afdeling dat in het wettelijke systeem geen termijn wordt gegeven waarbinnen de ontwerpfase moet zijn aangevangen na het beëindigen van de voorontwerpfase. Ook anderszins is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder in verband met het voorgaande aanleiding had moeten zien om goedkeuring aan het plan te onthouden.

Gelet hierop treft dit bezwaar van appellant geen doel.

2.9.2.    De overige formele bezwaren van appellant geven evenmin aanleiding te oordelen dat in dit verband aan het besluit omtrent goedkeuring van het bestemmingsplan gebreken kleven.

Deze bezwaren treffen dan ook geen doel.

2.9.3.    Appellant heeft voorts in beroep gesteld dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding “bebouwbare zone” ten westen van de woning op zijn perceel en aan de aanduiding “onbebouwbare zone” op zowel de gronden ten noorden als de gronden ten zuiden van de woning op zijn perceel. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de reeds bestaande bijgebouwen op zijn perceel niet als zodanig zijn bestemd. Voorts heeft hij betoogd dat van gemeentewege toezeggingen zijn gedaan over extra bouwmogelijkheden aan de noordzijde van zijn perceel, waar hij een zwembad en een geluidwerende voorziening wenst aan te leggen, en dat het plan daar ten onrechte niet in voorziet. Bovendien doet appellant een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

2.9.3.1.    De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorm van het bouwvlak van appellant ten opzichte van het vorige plan is gewijzigd, maar dat de afspraken die met appellant zijn gemaakt zijn nagekomen.

2.9.3.2.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het perceel van appellant in dit plan anders is ingedeeld dan in het vorige plan, maar dat dit niet betekent dat appellant in dit plan over minder bouwmogelijkheden beschikt. Gelet hierop heeft verweerder geen reden gezien de planonderdelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft deze goedgekeurd.

2.9.3.3.    Voorzover appellant heeft aangevoerd dat het vorige plan meer bebouwingsmogelijkheden bood dan dit plan, overweegt de Afdeling als volgt.

Gelet op het deskundigenrapport voorziet het plan ten aanzien van het perceel van appellant in een bouwvlak met een oppervlakte van 340 m2.

Vast staat dat in het vorige plan een bouwvlak met een oppervlakte van 213 m2 was opgenomen. Gelet hierop is verweerder er terecht van uitgegaan dat appellant meer bebouwingsmogelijkheden heeft in dit plan dan in het vorige plan.

2.9.3.4.    Voorts overweegt de Afdeling dat, voorzover in geschil, aan de toezegging van het college van burgemeester en wethouders, bij brief van 16 februari 1998, gestand is gedaan. Hierbij heeft zij het volgende in aanmerking genomen.

In de brief, voorzover in geschil, heeft het college onder voorwaarden aan appellant toegezegd dat de grens van het bouwvlak gelijk zou worden getrokken met de voorzijde van het pand en dat in het plan de mogelijkheid zou worden opgenomen om een aarden wal te plaatsen aan de noordzijde van het perceel. Het bouwvlak op het perceel van appellant zou een totale  oppervlakte krijgen van 281 m2.

Zoals in overweging 2.9.3.3. is overwogen, voorziet het plan op het perceel van appellant in een bouwvlak met een oppervlakte van 340 m2.

De Afdeling stelt vast dat de noordelijke grens van het bouwvlak in dit plan voor een deel gelijk is getrokken met de voorgevel van de woning en voor het andere deel aan de noordzijde van de voorgevel van de woning ligt.

Ingevolge artikel 3.3, onder d, vierde gedachtestreepje, van de planvoorschriften kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van de bestemmingsbepalingen voor het oprichten van geluidwerende voorzieningen.

Gelet hierop en op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder er terecht vanuit is gegaan dat het college van burgemeester en wethouders zich wat betreft de oppervlakte en de grens van het bouwvlak en de aarden wal aan de toezegging heeft gehouden.

2.9.3.5.    Voorzover appellant bezwaar heeft tegen de aanduiding “onbebouwbare zone” ten noorden van zijn woning, omdat hij ter plaatse een zwembad wil bouwen en een geluidwerende voorziening wil aanleggen, overweegt de Afdeling het volgende.

2.9.3.5.1.    Gelet op hetgeen is overwogen in overweging 2.9.3.4. kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van de bestemmingsbepalingen voor het oprichten van geluidwerende voorzieningen. Dit betekent dat op het perceel van appellant, via een vrijstellingsprocedure, een geluidwerende voorziening kan worden aangelegd. In dit verband merkt de Afdeling op dat de nadere belangenafweging die moet worden gemaakt bij de vraag of vrijstelling kan worden verleend voor de voorziening ter plaatse niet in deze procedure aan de orde kan komen.

2.9.3.5.2.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de percelen in het plangebied met een woonbestemming hoofdzakelijk zijn ingedeeld in drie zones: de bouwzone, de bebouwbare zone en de onbebouwbare zone. De bouwzone omvat het woongebouw met eventuele uitbreidingsmogelijkheden. De bebouwbare zone is blijkens de plantoelichting bedoeld voor garages, schuren en beperkte uitbreidingen aan het woonhuis. De onbebouwbare zone is bedoeld voor tuinen, trottoirs en parkeerplaatsen ten behoeve van de woonfunctie. De gemeenteraad heeft ter zitting aangegeven over te zijn gegaan op deze indeling in zones om bebouwing enkel geconcentreerd op het perceel toe te staan, met het oog op de ruimtelijke uitstraling die daarvan uitgaat. Verweerder heeft hiermee ingestemd. De Afdeling acht deze wijze van bestemmen niet onredelijk. Dit betekent dat op het deel van het perceel ten noorden van de woning van appellant, waarvoor de aanduiding “onbebouwbare zone” geldt, geen bouwwerken kunnen worden gebouwd. Appellant heeft ter zitting aangegeven geen gebouwen aan de noordzijde van zijn woning te willen oprichten, maar een zwembad.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat een zwembad een bouwwerk is. Volgens de systematiek zou de aanduiding “bebouwbare zone” noodzakelijk zijn om het zwembad ter plaatse toe te kunnen staan. Die aanduiding biedt echter ook mogelijkheden om andere bouwwerken ter plaatse te bouwen en dit is in strijd met de doelstelling van het gemeentelijke beleid om enkel geconcentreerd bouwen toe te staan. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder in redelijkheid geen uitzondering behoeven te maken op deze plansystematiek.

2.9.3.5.3.    Voorzover appellant bezwaar heeft tegen de aanduiding “onbebouwbare zone” ten noorden van zijn woning, omdat ter plaatse een bijgebouw staat met een oppervlakte van ongeveer 25 m2, dat niet als zodanig is bestemd, overweegt de Afdeling het volgende.

De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat het als zodanig bestemmen van het bijgebouw in strijd is met het uitgangspunt in het plan dat bebouwing enkel geconcentreerd op de percelen wordt toegestaan. De Afdeling is van oordeel dat verweerder in redelijkheid met dit standpunt van de gemeenteraad heeft kunnen instemmen. Zij neemt hierbij het volgende in aanmerking.

Ingevolge artikel 3.6 van de planvoorschriften, voorzover van belang, mogen bouwwerken die reeds bestonden voor de terinzagelegging van het ontwerpplan, mits de bestaande afwijkingen naar aard en omvang niet worden vergroot:

a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

b. na tenietgaan als gevolg van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de bouwaanvraag dan wel de melding geschiedt binnen twee jaar na het tenietgaan.

Vast staat dat het bijgebouw reeds bestond ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpplan.

Door de gemeenteraad is onweersproken gesteld dat het bijgebouw onder het overgangsrecht is geplaatst.

De Afdeling overweegt hieromtrent dat het onder het overgangsrecht brengen van bebouwing aanvaardbaar kan zijn, maar dat hiervoor in ieder geval vereist is dat voldoende aannemelijk is dat het gebouw binnen de planperiode zal worden verwijderd. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat het bijgebouw ter plaatse dient te worden verwijderd, nu het bijgebouw niet in overeenstemming is met de doelstelling in het plan dat bouwwerken enkel geconcentreerd op het perceel mogen worden gebouwd. Indien het bijgebouw geheel moet worden vernieuwd is er ten westen van de woning, op het plandeel met de aanduiding “bebouwbare zone”, ruimte voor het nieuwe bijgebouw.

2.9.3.5.4.    Ten aanzien van de door appellant gemaakte vergelijking met het bouwvlak ten westen van zijn perceel, waarop een hotel gevestigd is, dat wel ten noorden van de bestaande bebouwing kan uitbreiden overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat die situatie zodanig overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie, dat verweerder om deze reden niet heeft kunnen instemmen met het plan. Het hotel is immers vanaf de weg te zien en nieuwe bebouwing ten noorden van het hotel maakt wat ruimtelijke uitstraling betreft geen verschil. De bebouwing op het perceel van appellant is niet vanaf de weg te zien en een bebouwingsmogelijkheid aan de noordzijde kan een andere ruimtelijke uitstraling tot gevolg hebben.

2.9.3.5.5.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het planonderdeel.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.9.3.6.    Voorzover appellant bezwaar heeft tegen de aanduidingen “bebouwbare zone” en “onbebouwbare zone” respectievelijk ten westen en ten zuiden van zijn woning, omdat het reeds bestaande bijgebouw ter plaatse niet is toegestaan, overweegt de Afdeling als volgt.

Het bijgebouw was in het vorige plan bestemd als “Erf”. Binnen deze bestemming was het toegestaan om bijgebouwen op te richten met een maximum van 45 m2. Voor het bijgebouw is destijds een bouwvergunning verleend.

Het deel van dit bijgebouw dat ten westen van de woning ligt heeft in dit plan de aanduiding “bebouwbare zone” gekregen. Het andere deel is aangeduid als “onbebouwbare zone”.

Ingevolge artikel 2.24, tweede lid, onder b, derde gedachtestreepje, van de planvoorschriften mogen op de gronden met de aanduiding “bebouwbare zone” bijgebouwen met een maximumhoogte van 3 meter worden gebouwd. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting past dit deel van het bijgebouw met die aanduiding hierbinnen.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het planonderdeel.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.9.3.6.1.    Met betrekking tot het andere deel van het bijgebouw, dat is aangeduid als “onbebouwbare zone”, overweegt de Afdeling als volgt.

Ingevolge de begripsomschrijvingen in artikel 1.1 in samenhang met artikel 1.2 van de planvoorschriften, mag op de gronden met die aanduiding niet worden gebouwd, tenzij in hoofdstuk 2 van de planvoorschriften andersluidende bepalingen zijn opgenomen. Hiervan is voor de bijgebouwen op het perceel van appellant geen sprake.

Gelet hierop en op hetgeen is overwogen in overweging 2.9.3.5.3. ten aanzien van artikel 3.6 van de planvoorschriften, dat een overgangsbepaling bevat voor bouwen, is de ten westen van de woning gelegen berging onder het overgangsrecht gebracht.

De Afdeling overweegt hieromtrent dat het onder het overgangsrecht brengen van een bouwwerk aanvaardbaar kan zijn, maar dat hiervoor in ieder geval vereist is dat voldoende aannemelijk is dat het bouwwerk binnen de planperiode zal worden verwijderd.

Uit het deskundigenbericht is gebleken dat voor het vernieuwen van het bijgebouw op 20 augustus 2002 een bouwvergunning is verleend.

Niet aannemelijk is dat het bijgebouw binnen de planperiode zal worden verwijderd. Onder deze omstandigheden is een op de bestaande toestand toegesneden bestemming aangewezen.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden-vrij-/halfvrijstaande bebouwing” met de nadere aanduiding “onbebouwbare zone”, ten zuidwesten van de woning op het perceel [locatie] te Arnhem, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door het plan op dit punt goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd.

Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden-vrij-/halfvrijstaande bebouwing” met de nadere aanduiding “onbebouwbare zone”, ten zuidwesten van de woning op het perceel [locatie] te Arnhem.

2.9.4.    Appellant heeft voorts aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de doeleindenomschrijving van artikel 2.13, eerste lid, van de planvoorschriften, voorzover dat betrekking heeft op het terrein van het Nationaal Sportcentrum Papendal (hierna: het Papendalterrein). Hiertoe heeft hij aangevoerd dat er meer doeleinden zijn toegestaan dan in het vorige plan en dat ter plaatse ten onrechte ruimte wordt geboden voor niet aan sport gerelateerde activiteiten en accommodaties. Dit gebruik past volgens hem niet binnen het rijksbeleid en het provinciale beleid. Bovendien is hij van mening dat het criterium in de doeleindenomschrijving dat het gebruik van de gronden ten behoeve van vergaderingen en congressen voor minimaal 35 procent sportgerelateerd moet zijn, niet objectief meetbaar is en daarom niet te handhaven valt. Voorts past een dergelijk criterium volgens hem niet in een bestemmingsplan. Enkel sportgerelateerde activiteiten zouden op het Papendalterrein mogen worden toegestaan, aldus appellant. Appellant is voorts van mening dat, indien de niet-sportgerelateerde activiteiten toch op het terrein worden toegestaan, in de voorschriften een beperking voor het parkeren van auto’s en in de bestemmingsregeling een ontsluitingsmogelijkheid voor het perceel van appellant via het terrein moeten worden opgenomen.

2.9.4.1.    Verweerder heeft geen reden gezien de doeleindenomschrijving in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit planonderdeel goedgekeurd.

2.9.4.2.    Het Nationaal Sportcentrum Papendal omvat een terrein van ongeveer 135 hectare en ligt aan de zuidkant van de Amsterdamseweg te Arnhem, ten zuiden van het perceel van appellant.

In het vorige plan hadden de gronden op het Papendalterrein voornamelijk de bestemmingen “Recreatieve doeleinden - Sportterrein” en “Recreatieve doeleinden - Parkeerterrein”.

De bouwvlakken met de bestemming “Recreatieve doeleinden - Sportterrein” waren ingevolge artikel 14, eerste lid, van de voorschriften van het vorige plan, uitsluitend bestemd voor de aanleg en instandhouding van terreinen en voorzieningen voor de beoefening van buiten- en binnensporten. Ingevolge het tweede lid van dit artikel mochten op de gronden met deze bestemming met inachtneming van het maximum bebouwingspercentage en de maximum bouwhoogte, uitsluitend in de gegeven bestemming passende gebouwen en andere bouwwerken (zoals kleedruimten, sportruimten, verenigingsgebouwen, lichtmasten) worden gebouwd. Onder gebruik van gronden in strijd met de bestemming werd in ieder geval begrepen het gebruik van opstallen als administratief verenigingsgebouw dan wel het gebruik als verenigings-bestuurszetel.

Ingevolge artikel 13, eerste lid van het vorige plan waren de op de plankaart als “Recreatieve doeleinden – Parkeerterrein” aangewezen gronden uitsluitend bestemd voor de aanleg en instandhouding van een parkeerterrein ten behoeve van recreatieve voorzieningen.

Niet in geschil is dat de gronden ter plaatse in het vorige plan niet bestemd waren voor vergaderingen, congressen en kantoorruimten.

In het plan dat nu aan de orde is, is het Papendalterrein bestemd als “Recreatieve doeleinden met behoud van landschappelijke waarden – Sport” met de aanduiding “sportcentrum”.

Ingevolge artikel 2.13, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor

a) de aanleg en instandhouding van terreinen en voorzieningen voor de beoefening van buiten- en binnensporten;

b) het gebruik voor vergaderingen en congressen en als kantoorruimte, mits deze activiteiten sportgerelateerd zijn, met dien verstande dat het gebruik voor vergaderingen en congressen voor minimaal 35 procent sportgerelateerd moeten zijn;

c) het behoud of herstel van de op deze gronden voorkomende, dan wel daaraan eigen landschappelijke waarden;

d) parkeervoorzieningen;

e) horecabedrijven A tot en met C ten behoeve van de in a) en b) genoemde doeleinden.

Gelet op de omstandigheid dat het plan voorziet in het gebruik van de gronden voor vergaderingen en congressen en als kantoorruimte, welk gebruik in het vorige plan was uitgesloten, stelt de Afdeling vast dat het plan voorziet in een verruiming van de activiteiten op het Papendalterrein ten opzichte van het vorige plan.

De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat er reeds jaren sprake is van afwijkend gebruik en dat hij dit gebruik in de toekomst wil toestaan, mits het niet wordt vergroot. Nu de verhouding wel- en niet-sportgerelateerd gebruik op grond van de jaarcijfers 35 staat tot 65 was, heeft de gemeenteraad deze verhouding in het plan opgenomen.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat die verhouding in deze situatie ruimtelijk relevant is en daarom in het plan kon worden opgenomen.

Vast staat dat het Papendalterrein deel uitmaakt van het Centraal Veluws Natuurgebied (hierna: het CVN). Ter zitting is vast komen te staan dat het CVN ligt in een gebied dat in het streekplan is aangeduid als “landelijk gebied A”. In dit gebied is de functie natuur richtinggevend. De ontwikkeling van andere functies moet hier passen binnen de natuurdoelstellingen. In het streekplan staat vermeld dat het landelijke gebied wordt ingericht voor functies die daar thuishoren. Voorts staat daarin dat nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijvigheid in het landelijke gebied niet mogelijk is.

Naar het oordeel van de Afdeling dient het gebruik van de gronden voor vergaderingen en congressen en als kantoorruimte in dit geval te worden beschouwd als nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijvigheid, nu dit plan het eerste plan is waarin in een bestemming voor dit gebruik is voorzien. Het plan is op dit punt derhalve niet in overeenstemming met het beleid hieromtrent dat is vastgelegd in het streekplan. Vast staat dat verweerder geen toepassing heeft gegeven aan de in hoofdstuk 5.5 van het streekplan opgenomen afwijkingsprocedure.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit op dit punt is genomen in strijd met artikel 4a, tiende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd.

Gelet hierop behoeven de overige bezwaren die zijn gericht tegen dit plandeel geen bespreking meer.

2.9.5.    Appellant heeft voorts in beroep gesteld dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 2.22, eerste lid, onder c, van de planvoorschriften en aan de aanduiding “telecommunicatiemast”, op de gronden ten westen van zijn perceel, waar Hotel West End is gevestigd.

2.9.5.1.    De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat er ter plaatse geen mogelijkheid in het plan is opgenomen voor een telecommunicatiemast.

2.9.5.2.    Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het standpunt van de gemeenteraad niet juist is, maar dat hij geen reden ziet om het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Gelet hierop heeft hij goedkeuring verleend aan de planonderdelen.

2.9.5.3.    Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat hij weliswaar had ingezien dat de reactie van de gemeenteraad op de zienswijze van appellant over de telecommunicatiemast niet juist was, maar dat hij ten onrechte heeft nagelaten om goedkeuring te onthouden aan artikel 2.22, eerste lid, onder c, van de planvoorschriften en aan de aanduiding “telecommunicatiemast” op de gronden grenzend aan de westzijde van het perceel van appellant.

Nu verweerder zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het dictum van het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep is ook op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.10.    Verweerder dient ten aanzien van het beroep van IVN op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Wat betreft het beroep van [appellant sub 5] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van de overige beroepen bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellanten sub 2] niet-ontvankelijk, voorzover het is gericht tegen de termen ‘wildwissel’ en ‘ecologische zone’, tegen de aanwijzing van ecologische verbindingszones in het plan en de gevolgen daarvan, en tegen een toevoeging aan de plantoelichting;

II.    verklaart het beroep van [appellant sub 5], gedeeltelijk, en het beroep van IVN, geheel, gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 23 september 2003, no. RE2003.26953, voorzover het betreft de goedkeuring van:

a) artikel 2.9, derde lid, voorzover het betrekking heeft op het terrein van de tennisvereniging “Schaarsbergen” en aan artikel 2.10, derde lid, voorzover het betrekking heeft op het terrein van de [hondensportvereniging] van de planvoorschriften;

b) de doeleindenomschrijving van artikel 2.13, eerste lid, van de planvoorschriften, voorzover dat betrekking heeft op het Papendalterrein;

c) artikel 2.22, eerste lid, onder c, van de planvoorschriften en aan de aanduiding “telecommunicatiemast”, op de gronden waar Hotel West End is gevestigd;

d) het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden-vrij-/halfvrijstaande bebouwing” met de nadere aanduiding “onbebouwbare zone”, ten zuidwesten van de woning op het perceel [locatie] te Arnhem;

IV.    onthoudt goedkeuring aan het genoemde onder III.a) en III.d);

V.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover het betreft het genoemde onder III.a) en III.d);

VI.    verklaart de beroepen van [appellanten sub 2] en [appellant sub 5], voor het overige, en de beroepen van de Stichting het Nationale Park de Hoge Veluwe, de Staatssecretaris van Defensie en Likon B.V., geheel, ongegrond;

VII.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland in de door IVN in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Gelderland te worden betaald aan appellante;

VIII.    gelast dat de provincie Gelderland aan IVN en [appellant sub 5] het door hun voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht (respectievelijk € 232,00 en € 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel    w.g. Bindels

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2004

85-449.