Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR4637

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-10-2004
Datum publicatie
27-10-2004
Zaaknummer
200400794/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 mei 2003 heeft verweerder het verzoek van appellante om toepassing van bestuurlijke handhavingsmaatregelen met betrekking tot de mestopslag ter plaatse van de paardenhouderij gelegen op het perceel tegenover de [locatie] te Almelo afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200400794/1.

Datum uitspraak: 27 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Almelo,

en

het college van burgemeester en wethouders van Almelo,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2003 heeft verweerder het verzoek van appellante om toepassing van bestuurlijke handhavingsmaatregelen met betrekking tot de mestopslag ter plaatse van de paardenhouderij gelegen op het perceel tegenover de [locatie] te Almelo afgewezen.

Bij besluit van 11 december 2003, verzonden op 15 december 2003, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 26 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 15 juni 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 oktober 2004, waar appellante, in persoon en bijgestaan door mr. D. Pool, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. R.B.J. Maathuis en ing. A.W.M. ten Doeschot, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghouder, vertegenwoordigd door mr. J. Gundelach, advocaat te Almelo.

2.    Overwegingen

2.1.    Aan het onderhavige geding ligt ten grondslag het verzoek van appellante van 27 maart 2003 om handhavend op te treden ten aanzien van de vaste mestopslag op voornoemde paardenhouderij.

2.2.    Appellante betoogt dat de container die wordt gebruikt als mestopslag op circa 35 à 40 meter van haar woning is gelegen, terwijl de afstand volgens de bij de vergunning van 29 september 1998 behorende aanvraag 150 meter dient te bedragen. Door de korte afstand van de mestopslag tot haar woning ondervindt zij stank- en vliegenoverlast. Appellante kan zich voorts niet verenigen met de verkleining van de afstand tussen de mestopslagplaats en haar woning van 150 meter naar 65 meter, zoals is vermeld in de ten behoeve van de onderhavige inrichting op 19 december 2002 ingediende aanvraag om een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer. Het perceel van vergunninghouder biedt volgens haar voldoende ruimte voor het plaatsen van een mestopslag op een grotere afstand dan 65 meter. Daarnaast is de mestopslag naar de mening van appellante in strijd met het vigerende bestemmingsplan en kan een bouwvergunning voor de mestopslag niet worden afgegeven. Overigens heeft verweerder in strijd met artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht te laat op haar bezwaarschrift beslist, aldus appellante.

2.3.    Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat er aanleiding is om niet handhavend op te treden. Verweerder heeft bij de beoordeling van het verzoek om handhaving geconstateerd dat de vergunning uit 1998 tekortkomingen kent, nu de begrenzing van de inrichting niet is vastgelegd en voorts geen vaste opstelplaats voor de mestopslag is aangewezen. Dit heeft volgens verweerder tot gevolg dat wanneer aan de afstand van 150 meter tussen de mestopslag en de woning van appellante moet worden voldaan, zoals in de aanvraag die onderdeel uitmaakt van de vergunning uit 1998 is vermeld, de mestcontainer ver buiten de natuurlijke grenzen van de inrichting moet worden geplaatst op een willekeurige locatie. Verweerder acht het gelet hierop niet redelijk van vergunninghouder te verlangen de mestopslag naar 150 meter te verplaatsen. Te minder nu, zo stelt verweerder, vergunninghouder inmiddels een aanvraag om een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer heeft ingediend. In deze aanvraag is onder andere een vaste plaats voor de mestcontainer op een afstand van 65 meter van de woning van appellante opgenomen. Gezien deze afstand behoeft niet voor onaanvaardbare stankhinder en vliegenoverlast te worden gevreesd, aldus verweerder. Verweerder gaat ervan uit dat de gevraagde vergunning op korte termijn kan worden verleend, waarmee de onderhavige illegale situatie zal worden beëindigd.

2.4.    Artikel 5:22 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang slechts bestaat indien zij bij of krachtens de wet is toegekend.

   Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

   Artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen.

   Ingevolge artikel 18.14, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan een ieder een orgaan dat bevoegd is ter uitvoering van het bij of krachtens een betrokken wet bepaalde bestuursdwang uit te oefenen, een dwangsom vast te stellen of een vergunning of ontheffing in te trekken, verzoeken daartoe over te gaan.

2.5.    Voorzover appellante in haar beroepschrift heeft aangevoerd dat vergunninghouder de aan de vergunning van 29 september 1998 verbonden voorschriften 5.8 en 5.10 niet naleeft, overweegt de Afdeling dat het verzoek om handhaving van appellante van 27 maart 2003 slechts betrekking heeft op het verplaatsen van de mestcontainer. Aangezien de naleving van de voorschriften 5.8 en 5.10 geen onderdeel uitmaakt van het verzoek om handhaving, blijft dit aspect bij de beoordeling van het bestreden besluit buiten beschouwing.

2.6.    Niet in geschil is dat de mestcontainer ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet overeenkomstig de op 29 september 1998 verleende vergunning is gesitueerd, zodat verweerder terzake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.7.    De Afdeling stelt voorop dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een aanvraag tot het verlenen van een revisievergunning was ingediend. Onderdeel van deze aanvraag is blijkens de stukken het plaatsen van de mestopslag op een dusdanige vaste locatie in de inrichting dat geen sprake meer is van onaanvaardbare stank- en vliegenoverlast. Naar aanleiding van deze aanvraag is door verweerder zowel op 11 juni 2003 als op 10 december 2003 een ontwerpbesluit ter inzage gelegd waaruit blijkt dat verweerder voornemens was positief op die aanvraag te beslissen. Tijdens het ter zitting verhandelde is gebleken dat voornoemde vergunning op 9 maart 2004 is verleend.

   Met betrekking tot de stelling van appellante dat de in de revisievergunning van 2004 opgenomen afstand van 65 meter tussen de mestopslag en de woning van appellante onvoldoende waarborgen biedt, overweegt de Afdeling dat de rechtmatigheid van dit besluit tot verlening van een milieuvergunning niet in deze procedure aan de orde kan komen. Overigens betekent het bestaan van bedenkingen dan wel het instellen van beroep tegen de verlening van een milieuvergunning niet dat deze niet verleend zou kunnen worden. In het bovenstaande ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding te komen tot het oordeel dat verweerder zich ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat vergunningverlening en daarmee legalisering van de onderhavige situatie mogelijk is.

   Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen afzien van het treffen van handhavingsmaatregelen jegens de onderhavige inrichting. Het betoog van appellante dat verweerder niet binnen de in artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde termijn een beslissing op het bezwaarschrift heeft genomen, doet niets af aan het voorgaande. Overigens is gebleken dat appellante bezwaar noch beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar bezwaar. Voorts leiden de bezwaren van appellante omtrent het bestemmingsplan en het ontbreken van een bouwvergunning, nu deze bezwaren niet in de onderhavige procedure aan de orde kunnen komen, niet tot een ander oordeel.

2.8.    Het beroep is ongegrond.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink    w.g. Montagne

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2004

374.