Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR4631

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-10-2004
Datum publicatie
27-10-2004
Zaaknummer
200402659/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 augustus 2002 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: gedeputeerde staten) geweigerd de door het college van burgemeester en wethouders van Someren gevraagde verklaring van geen bezwaar, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), ten behoeve van het oprichten van een kantoor met loods aan de [locatie 1] te Someren, te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 431 met annotatie van A.A.J. de Gier
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200402659/1.

Datum uitspraak: 27 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Someren,

2.    [appellant sub 2], wonend te Someren,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 februari 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 augustus 2002 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: gedeputeerde staten) geweigerd de door het college van burgemeester en wethouders van Someren gevraagde verklaring van geen bezwaar, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), ten behoeve van het oprichten van een kantoor met loods aan de [locatie 1] te Someren, te verlenen.

Bij besluit van 3 december 2002 hebben gedeputeerde staten het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 februari 2004, verzonden op 18 februari 2004, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellant sub 1 bij brief van 29 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en appellant sub 2 bij brief van 30 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 19 mei 2004 hebben gedeputeerde staten van antwoord gediend.

Bij brief van 2 september 2004 heeft appellant sub 2 nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 september 2004, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door H.M.A. van der Linden, ambtenaar van de gemeente, appellant sub 2 in persoon, bijgestaan door M.J.E. Driessen, gemachtigde, en gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door A.J. Vos, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant sub 2 heeft in het kader van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (hierna: de RBV) zijn agrarische bedrijfsactiviteiten geheel beëindigd en de aanwezige agrarische bedrijfsopstallen gesloopt. De op het perceel aanwezige woning en garage/stallingsruimte zijn niet gesloopt. Het bouwplan waarop de vrijstellingsprocedure betrekking heeft, ziet op het oprichten van een loods met kantoor ten behoeve van de uitoefening van een ambachtelijk bedrijf in de vorm van een lijstenmakerij.

2.2.    In het streekplan Noord-Brabant 2002 (hierna: het streekplan) is in paragraaf 3.4.12 opgenomen dat het buiten de locaties waar sloop van bedrijfsgebouwen heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van de regeling “ruimte-voor ruimte” in bebouwingsconcentraties buiten de groene hoofdstructuur onder voorwaarden is toegestaan dat voormalige agrarische bedrijfslocaties benut worden voor niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid. In het streekplan wordt onder een voormalige agrarische bedrijfslocatie verstaan: een agrarisch of niet-agrarisch bouwblok waarop in het verleden een agrarisch bedrijf werd uitgeoefend, waarvan de bedrijfsgebouwen nog geheel of gedeeltelijk bestaan.

2.3.    Gedeputeerde staten hebben geweigerd een verklaring van geen bezwaar te verlenen voor het bouwplan, omdat dit in strijd is met het streekplan. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een voormalige agrarische bedrijfslocatie, als bedoeld in het streekplan, zodat de hergebruikmogelijkheden voor een voormalige agrarische bedrijfslocatie niet van toepassing zijn. Daarbij hebben zij overwogen dat alle bedrijfsbebouwing is gesloopt en dat daarvoor compensatie is verkregen in het kader van de RBV en de regeling ruimte-voor-ruimte.

2.4.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat wel sprake is van een voormalige agrarische bedrijfslocatie, nu zich op het perceel nog een gedeelte van de agrarische bedrijfsbebouwing bevindt en het perceel in het geldende bestemmingsplan “Buitengebied 1998” als agrarisch bouwblok is aangewezen. Voorts betogen zij dat de rechtbank niet heeft onderkend dat geen gebruik is gemaakt van de regeling “ruimte voor ruimte”.

   Dit betoog faalt.

2.4.1.    De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat, aangezien appellant sub 2 in het kader van de RBV subsidie heeft verkregen voor het slopen van de bedrijfsgebouwen, gebruik is gemaakt van de regeling “ruimte voor ruimte”, die ingevolge paragraaf 3.4.12 van het streekplan niet ten behoeve van niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid mag worden benut. Immers, de regeling “ruimte voor ruimte” ligt ten grondslag aan de sloopsubsidieregeling van de RBV. De subsidie voor de sloop van de bedrijfsgebouwen is uitgekeerd door de Ontwikkelingsmaatschappij, die in ruil daarvoor een recht heeft verkregen om per 1000 m² te slopen opstal op een aanvaardbare plek een woning te bouwen in het kader van de regeling “ruimte voor ruimte”. De rechtbank heeft het, gelet op provinciaal en rijksbeleid, dat is gericht op het tegengaan van verloedering van en terugdringing van verstening in het buitengebied, terecht niet onredelijk geacht dat gedeputeerde staten geen medewerking wensen te verlenen aan het bouwplan dat is gericht op nieuwe bebouwing op het perceel terwijl elders op een daarvoor geschikte locatie woningen worden gebouwd. Het betoog van appellanten dat de regeling “ruimte voor ruimte” in het geval van appellant sub 2 niet is toegepast, omdat appellant niet heeft gekozen voor de mogelijkheid een woning te bouwen in plaats van een vergoeding voor de sloop van bedrijfsgebouwen, treft, gelet op het voorgaande, geen doel.

   Het betoog van appellant sub 2 dat gedeputeerde staten de omstandigheid dat hij reeds compensatie heeft verkregen in het kader van de RBV en de regeling ruimte-voor-ruimte niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen omdat hierin geen ruimtelijke afweging besloten ligt maar dit uitsluitend een financieel aspect betreft, faalt. De in paragraaf 3.4.12 van het streekplan opgenomen regeling strekt immers ten behoeve van de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied.

2.4.2.    Voorts is de rechtbank met juistheid tot het oordeel gekomen dat tengevolge van de in het kader van de RBV uitgevoerde sloopwerkzaamheden op het perceel geen agrarische bedrijfsgebouwen meer aanwezig zijn. Daarom kan niet staande worden gehouden dat sprake is van een voormalige agrarische bedrijfslocatie als bedoeld in paragraaf 3.4.12 van het streekplan. De rechtbank heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat de garage/stallingsruimte, die zich nog op het perceel bevindt, blijkens het in verband met de toepassing van de RBV opgemaakte taxatierapport, niet ten dienste stond van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf, zodat dit gebouw niet als een agrarisch bedrijfsgebouw kan worden aangemerkt. Dit geldt ook voor de woning. Dat het perceel een agrarische bestemming heeft, heeft de rechtbank terecht niet tot een ander oordeel gebracht.

2.5.    Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft de rechtbank terecht niet tot een ander oordeel gebracht. Gebleken is dat bij de sloop van de bedrijfsgebouwen aan de [locatie 2] te [plaats] gebruik is gemaakt van een andere regeling, zodat reeds daarom dat geval niet op één lijn is te stellen met de situatie van appellant sub 2.

2.6.    Het betoog dat er, gelet op het ten tijde van de aanvraag geldende provinciale beleid, op vertrouwd mocht worden dat gedeputeerde staten de verklaring van geen bezwaar ten behoeve van het bouwplan zouden afgeven, faalt ook. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen dienen gedeputeerde staten bij de besluitvorming rekening te houden met alle relevante feiten en omstandigheden die op dat moment bekend zijn, en derhalve ook met het beleid, dat op dat moment van toepassing is. Ook overigens is niet gebleken van door gedeputeerde staten gerechtvaardigd gewekt vertrouwen dat zij in afwijking van het geldende beleid de gevraagde verklaring van geen bezwaar zouden afgeven.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Omdat het hoger beroep ongegrond is, dient reeds daarom het verzoek van appellant sub 2 om de provincie Noord-Brabant met toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de schade die hij stelt te hebben geleden, te worden afgewezen.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk    w.g. Duursma

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2004

58-378.