Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR4630

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-10-2004
Datum publicatie
27-10-2004
Zaaknummer
200402668/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juni 2003 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd aan [wederpartij] bouwvergunning en vrijstelling te verlenen voor de legalisering van een atelier op het perceel [locatie] te [plaats], dat in afwijking van een verleende bouwvergunning is opgericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200402668/1.

Datum uitspraak: 27 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Wester-Koggenland,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 20 februari 2004 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2003 heeft appellant (hierna: het college) geweigerd aan [wederpartij] bouwvergunning en vrijstelling te verlenen voor de legalisering van een atelier op het perceel [locatie] te [plaats], dat in afwijking van een verleende bouwvergunning is opgericht.

Bij besluit van 20 oktober 2003 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 februari 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 30 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 mei 2004 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 september 2004, waar het college, vertegenwoordigd door P.M. Tromp en P.J. Stam, ambtenaren van de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. W.J.M. Loomans, advocaat te Hoorn, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 9 juni 1998 heeft het college aan [wederpartij] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een atelier van 100 m². Niet in geschil is dat het gerealiseerde atelier afwijkt van de bouwvergunning omdat de oppervlakte ca. 108 m² beslaat. Het college heeft geweigerd bouwvergunning en vrijstelling te verlenen voor het legaliseren van deze afwijking.

2.2.    Het college heeft in de beslissing op bezwaar van 20 oktober 2003 vastgehouden aan de grens van 100 m² en daartoe aangegeven dat het reeds in 1998 bij de beoordeling van een eerder bouwplan van [wederpartij] voor het oprichten van een atelier het standpunt heeft ingenomen dat het slechts medewerking wenste te verlenen aan een vrijstelling voor maximaal die oppervlakte. Uit de stukken is gebleken dat deze oppervlakte van 100 m², waar vrijstelling en bouwvergunning voor is verleend, was neergelegd in een beleidsnotitie over aan- en bijgebouwen en bedrijfsgebouwen in het buitengebied. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting kan echter worden afgeleid dat deze beleidsnotitie niet meer wordt toegepast. De voorzieningenrechter heeft in dit verband in de omstandigheid dat het college reeds eerder te kennen heeft gegeven dat het slechts vrijstelling voor maximaal 100 m² wenste te verlenen, daarom terecht geen zwaarwegend argument gezien dat op voorhand aan het verlenen van vrijstelling voor het thans voorliggende bouwplan in de weg zou moeten staan. Daarbij heeft hij met juistheid mede in aanmerking genomen dat in het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan naar verwachting, zoals ter zitting is bevestigd, de gebruikelijke bevoegdheid zal worden opgenomen om vrijstelling te verlenen om met een marge van 10% af te wijken van de bebouwingsvoorschriften van het bestemmingsplan. Het betoog van het college dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat in de belangen van de [buurman] van [wederpartij], een omstandigheid is gelegen om geen medewerking aan het bouwplan van [wederpartij] te verlenen, zoals ook aan het besluit van 20 oktober 2003 ten grondslag is gelegd, heeft de voorzieningenrechter terecht niet tot een andere conclusie gebracht. Hij heeft er op goede gronden op gewezen dat uit de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2003, nr. 200204837/1, niet, zoals het college heeft gedaan, kan worden afgeleid dat de mate waarin het atelier afwijkt van de bouwvergunning moet worden aangemerkt als een niet geringe inbreuk op het belang van [buurman]. Voorts heeft de voorzieningenrechter terecht en op goede gronden overwogen dat het bouwplan geen ingrijpende inbreuk op de bestaande planologische situatie tot gevolg heeft. Het betoog van het college op dit punt kan daarom evenmin tot een ander oordeel leiden.

2.3.    Uit het voorgaande volgt dat de beslissing op bezwaar van 20 oktober 2003 een deugdelijke motivering ontbeert. De voorzieningenrechter heeft dat besluit derhalve terecht vernietigd.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Wester-Koggenland in de door [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Wester-Koggenland aan hem te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk    w.g. Duursma

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2004

58-378.