Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR4622

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-10-2004
Datum publicatie
27-10-2004
Zaaknummer
200403349/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juli 2003 heeft verweerder krachtens artikel 5 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) een nadere eis gesteld ten aanzien van de inrichting van voetbalvereniging Lekkerkerk op het perceel [locatie 1] te Lekkerkerk.

Wetsverwijzingen
Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer
Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2004/2750
JM 2005/22 met annotatie van Zigenhorn
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200403349/1.

Datum uitspraak: 27 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Lekkerkerk,

en

het college van burgemeester en wethouders van Nederlek,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2003 heeft verweerder krachtens artikel 5 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) een nadere eis gesteld ten aanzien van de inrichting van voetbalvereniging Lekkerkerk op het perceel [locatie 1] te Lekkerkerk.

Bij besluit van 2 maart 2004, verzonden op 10 maart 2004, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 21 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 22 april 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 mei 2004.

Bij brief van 17 juni 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 september 2004, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. C.M. Emeis, advocaat te Alphen aan de Rijn, en ir. H.R. Rozema, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door J.E. den Hartog-van ’t Zelfde en ing. S. Janse, gemachtigden, zijn verschenen.

Voorts is voetbalvereniging Lekkerkerk als partij gehoord, vertegenwoordigd door T. Spek en D. van der Velden, gemachtigden.

2.    Overwegingen

2.1.    Krachtens artikel 5, eerste lid, van het Besluit, gelezen in samenhang met voorschrift 4.5.1 van de daarbij behorende bijlage, voorzover van belang, kan het bevoegd gezag een nadere eis stellen met betrekking tot het doen van onderzoek naar de mogelijkheden tot het treffen van maatregelen of voorzieningen ten behoeve van het voorkomen of beperken van hinder door verlichting, voorzover door afscherming en afstelling van de verlichtingsarmaturen hinder niet wordt voorkomen of beperkt.

2.2.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn besluit van 15 juli 2003 gehandhaafd. Ingevolge de bij dit besluit gestelde nadere eis, voorzover hier van belang, dient voetbalvereniging Lekkerkerk een onderzoek te laten uitvoeren naar de mogelijkheden tot het treffen van maatregelen of voorzieningen ten behoeve van het voorkomen of het beperken van hinder door verlichting, voorzover door afscherming en afstelling van de verlichtingsarmaturen hinder niet wordt voorkomen of beperkt. Het onderzoek dient te zijn gericht op de woningen in de invloedssfeer van de verlichting van het voetbalveld. Het onderzoek moet eveneens worden gericht op de lichtinstraling in het kantoor van de woning [locatie 2] te Lekkerkerk.

2.3.    Appellant, bewoner van de woning [locatie 2], heeft betoogd dat de gestelde nadere eis ontoereikend is. Het voorgeschreven onderzoek dient zijns inziens ook betrekking te hebben op de hinderlijke verlichting ter plaatse van het erf van zijn woning.

2.4.    De Afdeling stelt vast dat het beroep van appellant betrekking heeft op de lichthinder die volgens hem optreedt ter plaatse van het erf bij zijn woning en de daar aanwezige stallen. Appellant heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat op het erf of in de stallen gedurende een langere periode van de dag mensen verblijven, zodat deze niet kunnen worden aangemerkt als voor lichthinder gevoelige objecten. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat appellant zijn beroep uitoefent in het kantoor van zijn woning.

   Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerder, na afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het stellen van een verdergaande nadere eis.

2.5.    Het beroep is ongegrond.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis    w.g. De Vink

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2004

154-399.