Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR4615

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-10-2004
Datum publicatie
27-10-2004
Zaaknummer
200403322/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juni 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college) geweigerd appellant bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van kunststof raamkozijnen in de voorgevel van zijn woonhuis aan de [locatie] te Leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2004, 212 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Module Vastgoed en wonen 2004/861
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200403322/1.

Datum uitspraak: 27 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Leiden,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 maart 2004 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college) geweigerd appellant bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van kunststof raamkozijnen in de voorgevel van zijn woonhuis aan de [locatie] te Leiden.

Bij besluit van 20 december 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 maart 2004, verzonden op 16 maart 2004, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 17 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 21 april 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 juni 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 september 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. A.G. Kleijweg, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. I.S. van der Spek, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant heeft betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zijn welstandsoordeel op het welstandsadvies heeft mogen baseren.

2.2.    Dit betoog slaagt. De welstandcommissie heeft het verzoek om een positief advies afgewezen en daarbij aangegeven dat de nieuwe kozijnen afbreuk zullen doen aan de minder gebruikelijke opbouw, vlakverdeling en profilering van de bestaande gevelindeling. In het advies wordt echter tevens opgemerkt dat uit de overgelegde tekeningen niet blijkt op welke wijze de nieuwe kozijnen in het vlak van de gevel zullen worden geplaatst. In verband daarmee achtte de welstandscommissie het gewenst de beschikking te krijgen over een tekening van de totale gevel, inclusief van de pui op de begane grond, waarop de nieuwe situatie en de detaillering van de aansluiting van de kozijnen op het metselwerk zijn aangegeven.

   Het advies berust aldus niet op de daarvoor kennelijk gewenst geachte informatie.

   Gelet hierop had het college, alvorens op de aanvraag om bouwvergunning te beslissen, appellant in de gelegenheid moeten stellen de door de welstandscommissie gewenste aanvullende informatie te verstrekken en zich vervolgens nader door de welstandscommissie moeten laten adviseren.

   Door dit na te laten heeft het college de beslissing op bezwaar genomen in strijd met de vereiste zorgvuldigheid, als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dat miskend.

2.3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar van 20 december 2002 vernietigen.

   Het college dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

2.4.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 maart 2004, AWB 03/1759 WOW44;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leiden van 20 december 2002, BV 020257;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Leiden in de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door gemeente Leiden te worden betaald aan appellant;

VI.    gelast dat gemeente Leiden aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht (€ 205,00 en € 116,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens    w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2004

202.