Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR4603

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-10-2004
Datum publicatie
27-10-2004
Zaaknummer
200406465/3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij mondelinge uitspraak van 2 september 2004, nummer 200406465/2, heeft de Voorzitter een voorlopige voorziening getroffen met betrekking tot de uitspraak van 22 juni 2004 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) waarbij het tegen het besluit van 21 juli 2003 ingestelde beroep ongegrond is verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406465/3.

Datum uitspraak: 21 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

om toepassing van artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot de mondelinge uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van 2 september 2004, nummer 200406465/2, hangende het hoger beroep van [wederpartij], gevestigd te [plaats], tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 juni 2004 in het geding tussen:

[wederpartij] te [plaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Uden.

1.    Procesverloop

Bij mondelinge uitspraak van 2 september 2004, nummer 200406465/2, heeft de Voorzitter een voorlopige voorziening getroffen met betrekking tot de uitspraak van 22 juni 2004 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) waarbij het tegen het besluit van 21 juli 2003 ingestelde beroep ongegrond is verklaard.

Verzoeker heeft bij brief van 21 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 22 september 2004, gevraagd om opheffing van deze voorlopige voorziening

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 oktober 2004, waar verzoeker, vertegenwoordigd door mr. D. Pool, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door H.J.M. Marcus, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers.

2.    Overwegingen

2.1.    In artikel 36, eerste lid, van de Wet op de Raad van State is, voor zover hier van belang, bepaald dat hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing is indien bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

   Ingevolge artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht kan de Voorzitter een voorlopige voorziening ambtshalve of op verzoek opheffen of wijzigen.

2.2.    Bij mondelinge uitspraak van 2 september 2004, hiervoor genoemd, heeft de Voorzitter de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Uden (hierna: het college) van onderscheidenlijk 25 november 2002 en 21 juli 2003, geschorst.

   Bij deze uitspraak heeft de Voorzitter onder meer overwogen dat tijdens het verhandelde ter zitting is gebleken dat het college zich niet verzet tegen het treffen van deze voorziening omdat in de komende maanden zal worden onderzocht of het gebruik, ten behoeve waarvan bij deze besluiten bestuursdwang is aangezegd, kan worden ingepast in het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan “Buitengebied”.

2.3.    Verzoeker betoogt dat legalisering van het gebruik, ten behoeve waarvan bij de besluiten van 25 november 2002 en 21 juli 2003 bestuursdwang is aangezegd, door middel van het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan “Buitengebied” niet tot de mogelijkheden behoort. Een onderzoek daartoe is, naar hij stelt, dan ook niet zinvol.

   Ter zitting is gebleken dat het college dit betoog onderschrijft.

2.4.    De Voorzitter is van oordeel dat het gegeven dat het college tot het inzicht is gekomen dat het zijnerzijds in het vooruitzicht gestelde onderzoek bij nader inzien weinig kans van slagen heeft en dat het college om die reden is teruggekomen van het ter zitting van 2 september 2004 ingenomen standpunt, er niet toe leidt dat de getroffen voorlopige voorziening behoort te worden opgeheven. De Voorzitter wijst er op dat bij die voorziening mede aandacht is gegeven aan het spoedeisend belang bij uitvoering van de aanschrijving in die zin dat is geconstateerd dat de belanghebbende, thans verzoeker, inmiddels is verhuisd. Het enkele gegeven dat de verzoeker nog gronden heeft in de nabijheid van het perceel waar de aanschrijving betrekking op heeft leidt niet tot het oordeel dat een zodanig spoedeisend belang bij opheffing van de schorsing bestaat dat behandeling van het hoger beroep in de hoofdzaak, dat spoedig zal plaatsvinden, niet zou kunnen worden afgewacht.

2.5.    Het verzoek wordt afgewezen.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. I. Sluiter, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Sluiter

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2004

292.