Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR4598

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-10-2004
Datum publicatie
27-10-2004
Zaaknummer
200406364/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 januari 2004, kenmerk 3492 GWRO/BWM, heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van verzoekers om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de paardenhouderij van [vergunninghouder] op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200406364/2.

Datum uitspraak: 20 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Veendam,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2004, kenmerk 3492 GWRO/BWM, heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van verzoekers om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de paardenhouderij van [vergunninghouder] op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 25 juni 2004, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 28 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 2 augustus 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 28 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 30 juli 2004 per telefax, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 september 2004, waar verzoekers in persoon en bijgestaan door mr. H.A. Wieringa, advocaat te Assen, en verweerder, vertegenwoordigd door G.G. Marring en L. Borgeld, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn nadere stukken in het geding gebracht.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Verzoekers betogen dat zij onaanvaardbare stankhinder van de onderhavige inrichting ondervinden. Hiertoe voeren zij aan dat er zonder toereikende vergunning binnen de inrichting paarden worden gehouden en een mestopslag op een afstand van 15 meter is gerealiseerd. Volgens verzoekers bestaat op de korte termijn geen zicht op legalisatie van deze illegale situatie.

2.3.    De Voorzitter overweegt dat blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting in het onderhavige geval sprake is van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit is ook waarvan verweerder in de beslissing op bezwaar uitgaat. Voorzover verweerder ter zitting een ander standpunt inneemt, heeft hij onvoldoende weersproken dat de inrichting ongeveer 11 paarden en/of pony’s telt, zoals ter zitting door verzoekers is gesteld. De 6 paarden die volgens verweerder in de wei lopen, worden immers ’s avonds in de inrichting gestald. Niet gebleken is dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een sterk afwijkend veebestand aanwezig was. Nu het ingevolge artikel 8.1, eerste lid, aanhef, onder a en c, van de Wet milieubeheer verboden is zonder een daartoe verleende vergunning een inrichting op te richten en in werking te hebben, was verweerder in zoverre dan ook bevoegd om handhavingsmiddelen toe te passen.

2.4.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5.    Ten aanzien van het betoog van verweerder dat legalisatie van de inrichting mogelijk is, overweegt de Voorzitter, als volgt.

   Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting was de mestopslag ten tijde van het bestreden besluit gelegen op 15 meter afstand tot de woning van verzoekers. Verder staat vast dat de stal van de onderhavige inrichting is gelegen op 20 meter afstand tot de woning van verzoekers.

   De ten tijde van het nemen van het onderhavige besluit ingediende aanvraag om een oprichtingsvergunning krachtens de Wet milieubeheer ziet niet op dezelfde situatie als de illegale situatie waarop het verzoek om handhaving zag. Deze aanvraag biedt derhalve geen concreet zicht op legalisatie van de illegale situatie.

   Vaststaat verder dat in bijlagen 1 en 2 van de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) geen omrekeningsfactoren dan wel vaste afstanden zijn opgenomen voor paarden en pony’s. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting hanteert verweerder op basis van de in de Richtlijn opgenomen minimumafstanden het uitgangspunt dat voor dieren waarvoor de Richtlijn geen omrekeningsfactoren dan wel vaste afstanden verschaft een minimaal aan te houden afstand van 50 meter ten opzichte van categorie III- en IV-objecten geldt. Niet in geding is dat de woning van verzoekers een categorie III-object is in de zin van de brochure Veehouderij en Hinderwet. Gelet op de voornoemde afstanden kan in elk geval geen vergunning worden verleend voor de paardenhouderij zoals deze ten tijde van het nemen van het bestreden besluit in werking was. Dat verzoekers zelf over een paard, een aantal ganzen en een mestopslag beschikken, maakt dit niet anders.

   Het voorgaande leidt de Voorzitter tot de conclusie dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet berust op een deugdelijke motivering. Gezien het voorgaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Veendam van 25 juni 2004, kenmerk 998 BBO/MH;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Veendam in de door verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 700,87, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Veendam te worden betaald aan verzoekers;

III.    gelast dat de gemeente Veendam aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 136,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. De Vink

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2004

154-460.