Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR4594

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-10-2004
Datum publicatie
27-10-2004
Zaaknummer
200407452/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juli 2004, kenmerk 27/2g, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan verzoekster een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het verwerken en verhandelen van landbouwzaden aan de Dijkwelsestraat 70, kadastraal bekend gemeente Kapelle, sectie O, nummers 267, 447 en 448, en sectie U, nummers 196 en 203. Dit besluit is op 5 augustus 2004 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407452/2.

Datum uitspraak: 19 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Advanta Seeds B.V.", gevestigd te Kapelle,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Kapelle,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2004, kenmerk 27/2g, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan verzoekster een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het verwerken en verhandelen van landbouwzaden aan de Dijkwelsestraat 70, kadastraal bekend gemeente Kapelle, sectie O, nummers 267, 447 en 448, en sectie U, nummers 196 en 203. Dit besluit is op 5 augustus 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft onder meer verzoekster bij brief van 6 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 6 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 7 september 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 oktober 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. C.J. IJdema, advocaat te Middelburg, ir. M.S. Schoonman, ir. H.P. Greten, deskundigen, mr. G. Jansen en C. Leijders, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door E.J.W. Philipse, ambtenaar van de gemeente, en ir. F. Witteveen, deskundige, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Voorzover het verzoek betrekking heeft op het aan de vergunning verbonden voorschrift E.9, heeft verweerder ter zitting gesteld dat dit voorschrift bij nader inzien aldus kan worden gewijzigd dat de vloeistofdichtheid van de vloer dient te worden beoordeeld en goedgekeurd vóór 1 oktober 2005. Verzoekster heeft hiermee ter zitting ingestemd. Gelet hierop ziet de Voorzitter in zoverre aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

2.3.    Verzoekster kan zich niet verenigen met de aan de vergunning verbonden voorschriften M.4 en M.5. Ingevolge voorschrift M.4 moeten de deuren van de gebouwen 16, 18, 30, 40, 41 en 42 zoveel mogelijk gesloten worden gehouden. Ze mogen alleen worden geopend voor het laten passeren van mensen en/of machines en/of goederen. Ingevolge voorschrift M.5 moeten tijdens het verrichten van inpandige werkzaamheden in de gebouwen 16, 18, 30, 40, 41 en 42 de ramen dicht zijn. Verzoekster stelt dat een door Greten Raadgevende Ingenieurs uitgevoerd akoestisch onderzoek heeft aangetoond dat met het treffen van de maatregelen zoals voorgeschreven in voorschrift D.6 kan worden voldaan aan de gestelde geluidgrenswaarden. Zij acht het om die reden niet nodig om alle deuren en ramen van evengenoemde gebouwen gesloten te houden. Voorts betoogt zij dat het gesloten houden van de deuren en ramen een zodanige belemmering oplevert dat een normale bedrijfsvoering onmogelijk zou worden.

2.3.1.    Ten behoeve van de aanvraag is door Greten Raadgevende Ingenieurs akoestisch onderzoek verricht naar de optredende geluidbelasting als gevolg van het in werking zijn van de inrichting. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een bij de aanvraag behorend rapport van 25 augustus 2003.

   De Voorzitter acht het aangewezen dat de vraag of in het geluidrapport juiste uitgangspunten zijn gehanteerd, en of de daarin vermelde uitkomsten van het onderzoek juist zijn, in het kader van de behandeling van het geding in de bodemprocedure wordt beoordeeld.

   In afwachting van die beoordeling is de Voorzitter op voorhand evenwel niet gebleken dat de uitkomsten van het geluidrapport geen betrouwbaar beeld geven van de te verwachten geluidbelasting. Uit dit rapport blijkt dat enkele voorzieningen moeten worden getroffen om aan de gestelde geluidgrenswaarden te kunnen voldoen. Zo moeten de deur aan de oostgevel van gebouw 16, de deur aan de oostgevel van gebouw 18 in de nachtperiode en de deuren van de werkplaats (gebouw 30) tijdens geluidproducerende werkzaamheden gesloten worden gehouden. Gelet op het geluidrapport alsmede de daarop gegeven toelichting van de opsteller ter zitting is de Voorzitter aannemelijk geworden dat - anders dan verweerder aanneemt - de deuren van de gebouwen 40, 41 en 42 geen relevante bijdrage leveren aan de geluidbelasting vanwege het in werking van de inrichting, en dat ook zonder het gesloten houden van de ramen en deuren van deze gebouwen aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

   Nu de Voorzitter er gelet op het voorgaande voorshands niet van overtuigd is dat het nodig is ter bescherming van het milieu om alle ramen en deuren van de in de voorschriften M.4 en M.5 genoemde gebouwen gesloten te houden, ziet hij aanleiding de hierna te melden voorlopige voorzieningen te treffen.

2.4.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Kapelle van 27 juli 2004, kenmerk 27/2g, voorzover het de aan de vergunning verbonden voorschriften E.9, derde volzin, M.4, eerste volzin, en M.5, tweede volzin, betreft;

II.    treft de voorlopige voorzieningen dat

- voorschrift E.9, derde volzin, als volgt komt te luiden:

De vloeistofdichtheid dient te worden beoordeeld en goedgekeurd vóór 1 oktober 2005.

- voorschrift M.4, eerste volzin, als volgt komt te luiden:

De deur aan de oostgevel van gebouw 16 tijdens het drogen van graszaden, de deur aan de oostgevel van gebouw 18 in de nachtperiode en de deuren van de werkplaats (gebouw 30) tijdens geluidproducerende werkzaamheden dienen zoveel mogelijk gesloten te worden gehouden.

- voorschrift M.5, tweede volzin, als volgt komt te luiden:

Tijdens het drogen van graszaden moeten de ramen van gebouw 16 dicht zijn. De ramen van gebouw 18 in de nachtperiode en de ramen van de werkplaats (gebouw 30) tijdens het verrichten van geluidproducerende werkzaamheden moeten dicht zijn teneinde geluidoverlast naar de omgeving te voorkomen;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Kapelle in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Kapelle te worden betaald aan verzoekster;

IV.    gelast dat de gemeente Kapelle aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 273,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink    w.g. Toorenburg-Bovenkerk

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2004

334.