Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR4316

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-10-2004
Datum publicatie
20-10-2004
Zaaknummer
200401800/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 2002 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een verzoek van appellante om aan [appellant] het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap
Rijkswet op het Nederlanderschap 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2004/472
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200401800/1.

Datum uitspraak: 20 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[gemachtigde], als wettelijk vertegenwoordigster van [appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 21 januari 2004 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2002 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een verzoek van appellante om aan [appellant] het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 4 juli 2003 heeft de minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 januari 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 maart 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 1 april 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 28 april 2004 heeft de minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 september 2004, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. I. Vreeken, advocaat te Zutphen, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.W. van Leeuwen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.        Ingevolge artikel 10 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de Rijkswet) kan de Kroon, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen het Nederlanderschap verlenen met afwijking van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet.

2.2.        Niet in geschil is dat [appellant] niet voldoet aan de in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet gestelde eis dat voor verlening van het Nederlanderschap slechts verzoekers die meerderjarig zijn in aanmerking komen.

2.3.        De minister heeft het verzoek van appellante om aan [appellant] het Nederlanderschap te verlenen afgewezen, omdat naar zijn oordeel niet is gebleken van feiten en omstandigheden die toepassing van artikel 10 van de Rijkswet zouden rechtvaardigen.

2.4.        Appellante klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 10 van de Rijkswet. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de natuurlijke moeder van [appellant] in het verleden verschillende keren heeft getracht haar zoon, die de […] nationaliteit bezit, te ontvoeren. Indien de moeder daarin zou slagen, dan kunnen de Nederlandse autoriteiten, in geval de moeder hem zou meenemen naar [land], geen effectieve bescherming bieden. De beschikking van de rechtbank, waarbij aan appellante de voogdij is toegekend, kan dan niet worden geëffectueerd. Derhalve is volgens appellante een gewichtig Nederlands belang als bedoeld in de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de Handleiding) aan de orde. Voorts heeft appellante er op gewezen dat volgens de Handleiding ook om humanitaire redenen kan worden afgeweken van de geldende voorwaarden voor naturalisatie. Naar haar mening is hier van een zodanige reden sprake, aangezien [appellant] en zijn pleegouders eerst nadat hij het Nederlanderschap heeft verkregen, zich daadwerkelijk veilig en beschermd kunnen voelen.

2.5.        Artikel 10 van de Rijkswet biedt de minister de mogelijkheid om in bijzondere gevallen van de daarin genoemde artikelonderdelen af te wijken. De minister heeft bij de toepassing van dit wetsartikel beoordelingsruimte en de invulling daarvan behoort primair tot zijn verantwoordelijkheid. Het besluit van de minister dient derhalve door de rechter terughoudend te worden getoetst.

2.6.        Zo al sprake is van een daadwerkelijk en reëel risico op ontvoering van [appellant] dan staat, indien dat zich voordoet, het feit dat [appellant] niet de Nederlandse nationaliteit bezit, niet in de weg aan het inroepen en verkrijgen van hulp van de Nederlandse consulaire vertegenwoordiging in [land]. De stelling van appellante dat de […] autoriteiten bij een eventuele ontvoering van [appellant] door zijn natuurlijke moeder naar [land] zich meer zullen inspannen om hem op te sporen en terug te laten keren naar Nederland indien hij niet de […], maar de Nederlandse nationaliteit bezit, geeft, hoewel die stelling op zichzelf plausibel voorkomt, geen grond voor het oordeel dat de minister in deze mogelijke situatie aanleiding had behoren te zien om op grond van humanitaire redenen toepassing te geven aan artikel 10 van de Rijkswet.

       De minister heeft evenzeer in redelijkheid kunnen oordelen dat het belang bij voorkoming van een mogelijke doorkruising van de voogdijbeschikking ten gevolge van een eventuele ontvoering van [appellant] onvoldoende is om een gewichtig Nederlands belang dat noopt tot afwijking van de geldende voorwaarden voor naturalisatie aanwezig te achten.

       De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat onzeker is of de door appellante naar voren gebrachte omstandigheden zich ooit zullen voordoen.

       De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk    w.g. Van de Kolk

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2004

345.