Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR4307

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-10-2004
Datum publicatie
20-10-2004
Zaaknummer
200401757/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 27 juni 2002 heeft appellant bij de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) een bezwaarschrift ingediend tegen het niet nemen van een besluit op zijn aanvraag om huursubsidie voor het tijdvak van 1 juli 2000 tot 1 juli 2001.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200401757/1.

Datum uitspraak: 20 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 januari 2004 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1.    Procesverloop

Bij brief van 27 juni 2002 heeft appellant bij de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) een bezwaarschrift ingediend tegen het niet nemen van een besluit op zijn aanvraag om huursubsidie voor het tijdvak van 1 juli 2000 tot 1 juli 2001.

Bij besluit van 5 augustus 2003 heeft het Hoofd van de Unit Correspondentie op last van de Directeur-Generaal Wonen voor de minister het door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 9 januari 2004, verzonden op 16 januari 2004, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 februari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 27 februari 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 maart 2004. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 26 april 2004 heeft de minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juli 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J.A. Pieters, advocaat te Utrecht, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.G. van Rosmalen, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in de uitspraak van 25 februari 2004 in zaak no. 200303658/1 (AB 2004/216) verdraagt de Regeling ondermandaat DGVH zich niet met de daarop op grond van artikel 10:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te stellen eisen en is deze regeling daarom onverbindend. De Regeling ondermandaat DGW (Stcrt. 2002, nr. 32), op grond waarvan het Hoofd Unit Correspondentie het besluit op bezwaar van 5 augustus 2003 heeft genomen, bevat een gelijkluidende tekst en is derhalve evenzeer onverbindend. Gelet hierop is dit besluit onbevoegdelijk genomen en had het door de rechtbank moeten worden vernietigd. Nu de minister bij brief van 14 april 2004 heeft meegedeeld dat hij het besluit geheel voor zijn rekening neemt en dit besluit is genomen door een ambtenaar die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is, kan met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb worden bepaald dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven als de inhoud van het besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Zoals uit het hierna volgende blijkt, kan dat besluit die toets niet doorstaan. De Afdeling zal, na vernietiging van de aangevallen uitspraak en van de beslissing op bezwaar, zelf in de zaak voorzien.

2.2.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Huursubsidiewet (hierna: Hsw), voorzover thans van belang, kent de minister op aanvraag aan een huurder huursubsidie toe over het subsidietijdvak.

   Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Hsw wordt een aanvraag tot toekenning van huursubsidie gedaan door de huurder, door middel van een volledig ingevuld formulier, dat wordt vastgesteld door de minister.  Burgemeester en wethouders stellen het formulier verkrijgbaar. De aanvraag wordt bij hen ingediend.

   Ingevolge het tweede lid wordt bij de aanvraag een verklaring gevoegd van elk van de medebewoners, inhoudende:

a. dat de op het aanvraagformulier vermelde, hen betreffende, gegevens inzake inkomen en vermogen juist zijn, en

b. (…).

   Ingevolge het derde lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de aanvullende gegevens en bescheiden die door de aanvrager, of een aanvrager die behoort tot een bepaalde categorie, bij de aanvraag worden verstrekt.

   Ingevolge artikel 29, eerste lid, eerste volzin, onderzoeken burgemeester en wethouders de juistheid en volledigheid van de bij de aanvraag verstrekte gegevens en bescheiden.

   Ingevolge het tweede lid geven burgemeester en wethouders, als de aanvrager het aanvraagformulier niet volledig heeft ingevuld, of niet alle krachtens artikel 28, derde lid, vereiste aanvullende gegevens en bescheiden heeft verstrekt, en de wel verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, de aanvrager ten minste vier weken de gelegenheid de aanvraag aan te vullen.

   Ingevolge het derde lid zenden burgemeester en wethouders een volledige aanvraag binnen drie maanden na de datum van ontvangst door aan de minister, met daarop een advies over de afhandeling.

   Ingevolge artikel 30, eerste lid, stelt de minister, als de bij een aanvraag verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, de aanvraag buiten behandeling. Dit besluit wordt zo spoedig mogelijk aan de aanvrager bekend gemaakt. Artikel 4:5 van de Awb is hierbij niet van toepassing.

2.3.     Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard omdat bij het ministerie geen aanvraag van appellant bekend is voor het tijdvak 1 juli 2000 tot 1 juli 2001. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister verklaard dat hem inmiddels duidelijk is geworden dat appellant een aanvraag voor huursubsidie voor het desbetreffende tijdvak heeft ingediend. De Afdeling stelt gelet op deze verklaring vast dat appellant op onjuiste grond niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar. Niet gebleken is dat er andere beletselen waren om appellant te ontvangen in zijn bezwaar, zodat de rechtsgevolgen van die beslissing niet in stand worden gelaten.

2.4.    Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Afdeling uit van de volgende, door partijen niet bestreden, feiten en omstandigheden.

Thans staat vast dat appellant voor het desbetreffende tijdvak een aanvraag om huursubsidie heeft ingediend. In de gemeente Utrecht werden zodanige aanvragen ingediend bij de verhuurder. Deze stuurde de aanvragen niet direct door naar de gemeente, maar wel – met gebruikmaking van een diskette – enkele op die aanvraag vermelde gegevens. De gemeente controleerde deze gegevens in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA). Als de gegevens met elkaar in overeenstemming waren, stuurde de verhuurder de aanvraag – indien deze compleet was - door naar de gemeente. Indien dit niet het geval was, droeg de verhuurder zorg voor aanvulling van de gegevens. In het geval van appellant bleken de gegevens op de aanvraag niet in overeenstemming met die uit de GBA. Bij brief van 6 november 2000, voor zover hier van belang, heeft de verhuurder appellant bericht dat uit de GBA is gebleken dat er op de peildatum meer medebewoners stonden ingeschreven dan op het huursubsidieformulier waren vermeld. Onder vermelding van de naam van de desbetreffende medebewoner heeft de verhuurder appellant verzocht om zo spoedig mogelijk de “Bijlage inkomen en vermogen medebewoner” volledig in te vullen en te laten ondertekenen door de medebewoner en, indien er een inkomen wordt genoten, kopieën van jaaropgaven of een kopie van het aangiftebiljet 1999 bij te voegen.

2.5.    Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Hsw krijgt de aanvrager ten minste vier weken de gelegenheid de aanvraag aan te vullen. Appellant is bij voornoemde brief van 6 november 2000 daartoe in de gelegenheid gesteld met verzoek dit zo spoedig mogelijk te doen. Eerst bij brief van 23 juli 2001, derhalve meer dan 8 maanden later, heeft appellant aanvullende gegevens en bescheiden verstrekt. Onder deze omstandigheden diende de aanvraag door de minister ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Hsw buiten behandeling te worden gesteld.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het bij de rechtbank ingestelde beroep dient alsnog gegrond te worden verklaard. De bestreden beslissing op bezwaar komt eveneens voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal op de hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.7.    De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 januari 2004, SBR 03/2266;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 5 augustus 2003, Boba Over_31z/AJBZ/008;

V.    bepaalt dat de aanvraag om huursubsidie voor het tijdvak van 1 juli 2000 tot 1 juli 2001 buiten behandeling wordt gesteld;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII.    veroordeelt de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,-- welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer te worden betaald aan appellant;

VIII.    gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht (€ 206,--) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Haan

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2004

27-55.