Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR4295

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-10-2004
Datum publicatie
20-10-2004
Zaaknummer
200401258/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2000 heeft de waarnemend Directeur Financiën Publiekrechtelijke Lichamen namens de Staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris), mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de Minister), het door appellante in verband met verminderde belastinginkomsten als gevolg van een verlaagde WOZ-waardering van een vuilverbrandingsinstallatie in de gemeente Duiven ingediende verzoek om toepassing van de beleidslijn inzake de definitieve vaststelling belastingcapaciteit 1997 afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2005, 44 met annotatie van J.W.M. Engels
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200401258/1.

Datum uitspraak: 20 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de gemeente Duiven,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 januari 2004 in het geding tussen:

het college van burgemeester en wethouders van Duiven (lees: appellante)

en

de Staatssecretaris van Financiën en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2000 heeft de waarnemend Directeur Financiën Publiekrechtelijke Lichamen namens de Staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris), mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de Minister), het door appellante in verband met verminderde belastinginkomsten als gevolg van een verlaagde WOZ-waardering van een vuilverbrandingsinstallatie in de gemeente Duiven ingediende verzoek om toepassing van de beleidslijn inzake de definitieve vaststelling belastingcapaciteit 1997 afgewezen.

Bij besluit van 21 december 2001 heeft de Directeur-Generaal van de Rijksbegroting namens de Staatssecretaris, mede namens de Minister, het daartegen door appellante gemaakte bezwaar, overeenkomstig het advies van de Hoorcommissie van het Ministerie van Financiën, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 januari 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college namens appellante bij brief van 9 februari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 10 februari 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 maart 2004. Laatstgenoemde brief is aangehecht.

Bij brief van 10 mei 2004 heeft de Staatssecretaris, mede namens de  Minister, van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 september 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. H.A. Wiggers, advocaat te Arnhem, en mr. T.A.J. Bach, gemachtigde, en de Staatssecretaris en de Minister, vertegenwoordigd door mr. H.E. Postma, K. Ramsaran en M.H.G. Straathof, werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet wordt de algemene uitkering over de jaren 1997 tot en met 2000, zoals deze voor een gemeente wordt vastgesteld overeenkomstig de Financiële-verhoudingswet, vermeerderd of verminderd met een bedrag overeenkomstig de tabel die als bijlage 1 bij deze wet is gevoegd. Deze vermeerdering of vermindering komt ten laste van of ten goede aan het gemeentefonds.

   Deze overgangsmaatregel is opgenomen in verband met de herverdeling van het gemeentefonds bij de op 1 januari 1997 in werking getreden nieuwe Financiële-verhoudingswet. Het vierjarige invoeringstraject houdt, voorzover hier van belang, in dat gemeenten met een negatief herverdeeleffect in de jaren 1997 tot en met 2000 een afnemende suppletie-uitkering ontvangen. In de Regeling overgangsmaatregelen herverdeling Gemeentefonds (15 mei 1998, nr. FO98/U743; Stcrt. 1998, nr. 108) is de genoemde bijlage 1 definitief vastgesteld.

2.1.1.    Uit de Memorie van Toelichting bij de Financiële-verhoudingswet (TK, vergaderjaar 1995-1996, 24 552, nr. 3, pagina 43) blijkt dat in sommige gevallen waarin gemeenten worden geconfronteerd met gerechtelijke uitspraken naar aanleiding van beroepsprocedures op waardebeschikkingen, die ertoe leiden dat de waarde van grote bedrijfscomplexen aanmerkelijk neerwaarts moet worden bijgesteld, de mogelijkheid bestaat een verzoek te doen tot herziening van de algemene uitkering. Het moet gaan om uitzonderlijke situaties waarin achteraf blijkt dat een gemeente met een zodanig onbeoogd nadeel is geconfronteerd dat in redelijkheid niet van die gemeente verlangd kan worden dat zij hiervan de financiële gevolgen zelf moet opvangen.

2.1.2.    Volgens de septembercirculaire gemeentefonds 1999, FO99/U84795, is de vraag of een verzoek om herziening van de algemene uitkering in verband met gerechtelijke uitspraken over WOZ-waarden zal worden gehonoreerd een zaak van nadere afweging die per geval zal worden beoordeeld en zal de lijn die bij de beoordeling gehanteerd gaat worden nog nader worden uitgewerkt.

   Volgens de meicirculaire gemeentefonds 2000, FO2000/U71946 (hierna: de meicirculaire), zal het nadeel worden berekend met inachtneming van alle relevante factoren, hetgeen onder meer wil zeggen dat zal worden berekend welke gevolgen de juiste WOZ-waarde, indien deze tijdig bekend zou zijn geweest, zou hebben gehad voor het totaal van de overgangsregeling 1997-2000 op grond van artikel 2 van de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet. In veel gevallen zal volgens deze circulaire het nadeel voor de algemene uitkering (ten dele) kunnen worden weggestreept tegen het gunstig effect dat daardoor in de berekening van de overgangsregeling is opgetreden en zal het resterend nadeel worden gecompenseerd indien dit over de jaren waarin het is geleden gemiddeld vijf gulden (€ 2,27) of meer per inwoner heeft bedragen.

2.2.    Vaststaat dat aan appellante voor 1997 tot en met 2000 een suppletie-uitkering is toegekend en dat als gevolg van een verlaagde WOZ-waardering van een vuilverbrandingsinstallatie in de gemeente Duiven de algemene uitkering voor 1997 te laag is vastgesteld. Het geschil betreft de bij het besluit van 21 december 2001 gehandhaafde weigering om in verband hiermee de algemene uitkering voor 1997 te herzien.

2.3.    Tegenover de toekenning van een te lage algemene uitkering staat de toekenning van een hogere suppletie-uitkering dan waarop appellante recht zou hebben gehad indien de algemene uitkering voor 1997 berekend zou zijn geweest op basis van de juiste WOZ-waarde. De definitief vastgestelde suppletie-uitkering is één van de in de meicirculaire bedoelde relevante factoren waarmee bij de berekening van het nadeel rekening gehouden dient te worden.

   Door dat te doen wordt, anders dan appellante heeft aangevoerd, het definitieve karakter van de suppletie-uitkering niet doorbroken, in formele noch in materiële zin, tot welk oordeel ook de rechtbank is gekomen.

2.4.    Het bij een verzoek om herziening gehanteerde drempelbedrag van gemiddeld vijf gulden (€ 2,27) per inwoner, boven welk bedrag wordt geacht sprake te zijn van een uitzonderlijke situatie waarin een gemeente met een zodanig onbeoogd nadeel is geconfronteerd dat in redelijkheid niet van die gemeente verlangd kan worden dat zij hiervan de financiële gevolgen zelf moet opvangen, geldt voor alle gemeenten. De verzoeken om herziening worden op gelijke wijze aan de hand van de gegevens van de gemeenten per geval beoordeeld, zodat het betoog van appellante dat geen sprake is van een individuele beoordeling noch van een gelijke behandeling van gemeenten niet kan slagen. Er zijn geen gronden te oordelen dat niet in redelijkheid kon worden besloten voor alle gevallen een zelfde vast drempelbedrag per inwoner te hanteren. Evenmin is relevant dat de meicirculaire, waarin de beleidslijn nader is uitgewerkt, eerst na het inleidende verzoek is gepubliceerd, zoals de rechtbank terecht en op goede gronden heeft overwogen.

2.5.    De rechtbank is op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de Staatssecretaris en de Minister zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het door appellante geleden nadeel niet voor compensatie in aanmerking komt en dat niet is gebleken van een rechtens te honoreren toezegging door een medewerker van het Ministerie van Financiën.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. J.H. van Kreveld, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Dallinga

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2004

18-420.