Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR4291

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-10-2004
Datum publicatie
20-10-2004
Zaaknummer
200402499/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juli 1999 heeft de gemeenteraad van Oosterhout, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 30 juni 1999, het bestemmingsplan "Centrumgebied Vrachelen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2004/1887
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200402499/1.

Datum uitspraak: 20 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de Milieuvereniging Oosterhout, de Vereniging Leefbaarheidswerkgroep Den Hout en de Vrienden van de Vrachelse Heide, gevestigd te Oosterhout,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 1999 heeft de gemeenteraad van Oosterhout, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 30 juni 1999, het bestemmingsplan "Centrumgebied Vrachelen" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 8 februari 2000, no. 627733, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

De Afdeling heeft bij uitspraak van 30 januari 2002, no. 200001437/1, de goedkeuring van het bestemmingsplan gedeeltelijk vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 13 januari 2004, no. 676392, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 23 maart 2004, bij de Raad van State ingekomen op 24 maart 2004, beroep ingesteld.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 2004, waar appellanten, vertegenwoordigd door S. Schokker en J. Sips, gemachtigden,

en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.J.A.M. van de Laar, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Oosterhout, vertegenwoordigd door ing. J. van de Vrie en mr. M.W.J.G.M. Mutsaers-Swinkels, ambtenaren van de gemeente.

2.    Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1.    In artikel 6:4, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (verder te noemen: Awb) is bepaald dat het instellen van beroep op een administratieve rechter geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij die rechter. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef, van de Awb wordt een beroepschrift ondertekend. Ingevolge artikel 8:24, eerste lid, van de Awb kunnen partijen zich door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Indien een beroep is ingesteld bij de Afdeling kan zij krachtens artikel 8:24, tweede lid, van de gemachtigde, niet zijnde een advocaat of procureur, een schriftelijke machtiging verlangen. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, kan het beroep ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2.1.1.    De Milieuvereniging Oosterhout heeft in het beroepschrift verklaard dat beroep wordt ingesteld mede namens de Vereniging Leefbaarheidswerkgroep Den Hout en de Vrienden van de Vrachelse Heide. Daarbij heeft zij geen machtiging of andere stukken overgelegd waaruit de gestelde vertegenwoordiging blijkt.

De Milieuvereniging Oosterhout is bij aangetekende brief van 26 maart 2004 verzocht de gestelde vertegenwoordiging aan te tonen. Zij is tot en met     23 april 2004 hiertoe in de gelegenheid gesteld. Hierbij is vermeld dat, indien dat niet binnen de gestelde termijn gebeurt, er rekening mee moet worden gehouden dat het beroep voorzover ingesteld namens de Vereniging Leefbaarheidswerkgroep Den Hout en de Vrienden van de Vrachelse Heide niet-ontvankelijk wordt verklaard.

De Milieuvereniging Oosterhout heeft de gestelde vertegenwoordiging niet binnen de aldus gestelde termijn aangetoond. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante in verzuim is geweest.

2.1.2. Het beroep voorzover dat is ingesteld namens de Vereniging Leefbaarheidswerkgroep Den Hout en de Vrienden van de Vrachelse Heide is niet-ontvankelijk.

Overige

2.2.    Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.3.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder te noemen: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Awb rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.4.    Het plan vormt de planologisch-juridische grondslag voor fase 2a van de uitbreidingslocatie Vrachelen en voorziet in de bouw van ongeveer 114 woningen met bijbehorende centrumvoorzieningen op het Markkanaaleiland.

2.5.    Appellante stelt in beroep dat verweerder ten onrechte wederom goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemmingen “Woondoeleinden”, “Verblijfsdoeleinden, auto’s toegestaan” en “Centrumdoeleinden en woondoeleinden” aan de zuidkant van het woongebied, welke direct grenzen aan een aarden wal met daarop een oud loofbos. Zij voert aan dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar mogelijke alternatieven voor de locatie van de woningbouw. Voorts voert appellante aan dat de voorgestelde compensatie voor de aantasting van genoemd loofbos op een aantal punten niet voldoet aan hetgeen hierover in de notitie “Toepassing compensatiebeginsel Noord-Brabant 1997” (verder te noemen: de notitie) is neergelegd. Zij stelt verder dat de voorgestelde compensatie juist een verslechtering van de natuurwaarden ter plaatse tot gevolg heeft, waardoor alle natuurwaarden op het eiland als geheel gecompenseerd dienen te worden.

2.6.    Verweerder acht dit gedeelte van het plan wederom niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft de betrokken plandelen goedgekeurd. Hij stelt dat met de voorgestelde compensatie de aantasting van de natuurwaarden in het betrokken gebied in voldoende mate zal worden gecompenseerd. Het is tevens voldoende verzekerd dat de voorgestelde compensatie zal worden uitgevoerd, aldus verweerder.

2.7.    De Afdeling heeft in haar uitspraak van 30 januari 2002, no. 200001437/1, het toen bestreden besluit vernietigd voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de hiervoor genoemde plandelen die voorzien in woningbouw aan de zuidkant van de woonwijk Markkant, welke grenzen aan het oude loofbos op de aarden wal. De Afdeling heeft het besluit in zoverre vernietigd, omdat uit de plankaart blijkt dat het plan de bouw van woningen mogelijk maakt tot aan de bosrand en zij het, gezien de stukken, waaronder het deskundigenbericht, aannemelijk acht dat daardoor verstoring van de bosrand in de vorm van geluidsoverlast, verlichting en betreding kan optreden. Hieruit volgt naar het oordeel van de Afdeling dat de desbetreffende woonbestemming volgens genoemd beleid slechts aanvaardbaar is onder compensatie van bedoelde verstoring.

   De Afdeling overweegt dat het toen bestreden besluit voor het overige in stand is gebleven en in zoverre rechtens onaantastbaar is geworden. Hiermee heeft de Afdeling derhalve reeds een oordeel gegeven ten aanzien van de vraag in hoeverre verweerder in redelijkheid goedkeuring heeft kunnen verlenen aan het plan voorzover het de bouw van een woonwijk op het Markkanaaleiland op zichzelf betreft. Het bezwaar van appellante dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar mogelijke alternatieven voor de locatie van de woningbouw kan in deze procedure derhalve niet meer aan de orde komen.

2.8.    Het provinciaal ruimtelijk beleid is thans neergelegd in het streekplan “Brabant in balans 2002” (verder te noemen: het streekplan). Het te compenseren gebied ligt binnen de aanduiding “GHS-natuur”. Voorts is het gebied, gelet op het verhandelde ter zitting, als gevolg van het op 2 juli 2002 vastgestelde natuurgebiedsplan opgenomen in de ecologische hoofdstructuur (verder te noemen: EHS). In dit plan zijn het westelijk deel en de zuidoever van het Markkanaaleiland indicatief aangeduid als ecologische verbindingszone. Blijkens het streekplan kan de groene hoofdstructuur (verder te noemen: GHS) worden beschouwd als een onderdeel van het ruimtelijk beleidsspoor van het Rijk, dat moet leiden tot verwezenlijking van de EHS.

Uit het streekplan vloeit voort, voor zover hier van belang, dat de natuur- en landschapswaarden die bij aantasting van de GHS verloren gaan, moeten worden gecompenseerd, waarbij aan een aantal vereisten moet worden voldaan. Er moet een nieuwe gelijkwaardige ecologische samenhang worden bereikt, waarbij de nieuwe natuur- en landschapswaarden van gelijke aard moeten zijn. De functie die de GHS vervult voor de natuur moet voorts in stand blijven en de compenserende maatregelen moeten een gebied beslaan dat minstens even groot is als het gebied waarover de ingreep zich uitstrekt. Daarnaast worden de aard en de omvang van de compensatie mede bepaald door de invloeden die de ingreep heeft op zijn omgeving en de aard van het gebied waar compensatie plaatsvindt. De compenserende maatregelen moeten verder in beginsel plaatsvinden in de omgeving van de ingreep, waarbij deze moeten passen binnen (inter)gemeentelijke landschapsbeleidsplannen. Tevens moeten een duurzame inrichting en beheer van het compensatiegebied gewaarborgd zijn en moet worden gestreefd naar robuustheid in groene structuren. Voorts is in het overgangsbeleid van het streekplan opgenomen dat de notitie, die op basis van het vorige streekplan is opgesteld, van kracht blijft totdat deze is herzien of ingetrokken door het college van gedeputeerde staten. Bij strijdigheid van de notitie met het geldende streekplan geldt de inhoud van dit plan. De criteria die in de notitie staan verwoordt komen overeen met hetgeen in het streekplan is neergelegd. Tevens bevat de notitie een nadere toelichting op deze criteria. Hieruit vloeit onder meer voort dat de functionaliteit van de ecologische verbindingszone intact dient te blijven, dat het niet de bedoeling is om met compensatiemiddelen bestaande uitvoeringskaders van landschapsbeleidsplannen in te vullen, dat de locatie zodanig dient te worden gekozen dat het buiten de invloedssfeer van de aantasting is gelegen en deze niet opnieuw aanleiding is voor compensatie (geen domino-effect). Gelet op het laatste dient compensatie plaats te vinden buiten de EHS, omdat compensatie daarbinnen zou leiden tot de noodzaak van compensatie van de daar aanwezige waarden.

De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk.

2.8.1.    Uit de stukken blijkt dat een onderzoek is uitgevoerd naar de aard en mate van verstoring tengevolge van woonbebouwing aan de zuidkant van de woonwijk Markkant en hoe deze gecompenseerd zou kunnen worden. De uitkomsten van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport “Compensatieonderzoek westpunt Markkant, Deel 1: Storende invloed Markkant op natuurwaarden”. Uit het onderzoek blijkt, voor zover hier van belang, dat verstoring van het oude loofbos op de aarden wal ten zuiden van de woonwijk Markkant plaatsvindt door geluid en betreding. Verstoring door licht is slechts in beperkte mate aan de orde, omdat het loofbos op een hoge wal ligt. Niet is gebleken dat deze conclusies onjuist zijn.  

   Blijkens de stukken bestaat de voorgestelde compensatie uit de aanleg van een amfibieënpoel tussen het woongebied aan de oostkant van het kanaaleiland en het jongere bos aan de westkant ten noorden van de aarden wal. Voorts is een rustgebied gecreëerd, waarbij het westelijke gedeelte van de aarden wal met loofbos en het gebied waarin de poel is aangelegd, door het plaatsen van hekwerken ontoegankelijk zijn geworden. Tevens zal in de aanleg van een vleermuiskelder worden voorzien ten zuidoosten van de poel, nabij het westelijke deel van de aarden wal.

2.8.2.    Het betoog van appellante dat de voorgestelde compensatie deels reeds was voorzien in een eerder landschapsbeleidsplan en daarom in strijd is met de in de notitie gestelde criteria, volgt de Afdeling niet. Zij betrekt daarbij dat de plannen voor de inrichting van de westpunt van het plangebied met natuur weliswaar reeds in het rapport “Groen goud in Oosterhout” waren voorzien, maar dat dit rapport geen landschapsbeleidsplan betreft, maar een ecologische structuurvisie, waarin voor onder meer het plangebied de ecologische waardering is beschreven. Hierin zijn geen uitvoeringskaders opgenomen. De plannen zijn nu overigens ook uitgebreid met de plaatsing van hekwerken en de aanleg van een vleermuiskelder.

2.8.3.    Voorzover appellante stelt dat het compensatieplan niet voldoet aan de notitie omdat deze binnen de invloedssfeer van de aantasting gerealiseerd wordt overweegt de Afdeling het volgende. Gelet op de stukken bevindt zich aan de westkant van de woonwijk grenzend aan het compensatiegebied één appartementengebouw. Niet is gebleken dat daarvan een verstoring uitgaat die zodanig is dat geconcludeerd dient te worden dat het compensatiegebied binnen de invloedssfeer van de aantasting ligt. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat zij in haar eerder genoemde uitspraak, het destijds bestreden besluit slechts heeft vernietigd voorzover het betreft de plandelen die voorzien in woningbouw in het gebied ten zuiden van de woonwijk Markkant en niet tevens wat betreft de woningen in het gebied ten westen daarvan.  

2.8.4.    De Afdeling stelt vast dat de compensatie plaatsvindt binnen de EHS. Voorts stelt de Afdeling vast dat voor het aanleggen van de amfibieënpoel jong bos moet verdwijnen waarvoor opnieuw dient te worden voorzien in compensatie op een locatie elders. Gelet hierop voldoet de voorgestelde compensatie niet aan hetgeen hierover in de notitie is neergelegd. De Afdeling is echter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan de orde zijnde situatie een afwijking van het beleid zoals dat is neergelegd in de notitie rechtvaardigt. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in de notitie staat beschreven dat er geen exact recept voor de aard en de omvang van compensatie is te geven, hetgeen een open houding van de provincie vraagt voor aangedragen oplossingen. Daarbij dient de provincie geen rigide stelsel van normen voor te staan, maar te streven naar het opstellen van verantwoorde compensatievoorstellen, die voldoen aan de geformuleerde doelen en criteria in de notitie. De Afdeling overweegt dat het streven als geformuleerd in de notitie erop is gericht dat compensatie in beginsel dient plaats te vinden in de directe omgeving van de ingreep, zodat er onder meer een nieuwe gelijkwaardige ecologische samenhang kan worden bewerkstelligd, dat gecompenseerd kan worden met natuur van gelijke aard en dat de functionaliteit van de GHS in stand kan blijven. Blijkens de stukken wordt dit wel bereikt met de voorgestane compensatie en niet met de door appellante voorgestelde gehele compensatie van de aantasting op de locatie Hoevestraat. Tevens acht de Afdeling van belang dat voor slechts een klein deel van het compensatiegebied, waarvan aannemelijk is dat de ecologische waarde beperkt is, elders gecompenseerd dient te worden. Blijkens de stukken is hierin voorzien op de locatie Hoevestraat.

Verder is de Afdeling niet gebleken dat door het plaatsen van de hekwerken de functie van de ecologische verbindingszone niet in stand kan blijven, nu gezien de stukken en het verhandelde ter zitting niet aannemelijk is geworden dat grote dieren aanwezig zijn die daardoor gehinderd kunnen worden. Evenmin is gebleken dat andere dieren die voorkomen in het plangebied daardoor zullen worden gehinderd, nu gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting de maaswijdte en bodemvrijheid van de hekwerken is afgestemd op de aanwezigheid van deze dieren.

Naar het oordeel van de Afdeling is voorts niet gebleken dat de verrichte graafwerkzaamheden en het plaatsen van de hekwerken een zodanige versnippering en vernietiging van de natuur ter plaatse tot gevolg hebben dat verweerder hieraan in redelijkheid overwegende betekenis had moeten toekennen.

2.8.5.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat de voorgestelde compensatie voldoende is.

2.9.    Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep, voorzover ingediend door de Milieuvereniging Oosterhout, is ongegrond.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover dat is ingesteld namens de Vereniging Leefbaarheidswerkgroep Den Hout en de Vrienden van de Vrachelse Heide;

II.    verklaart het beroep, voorzover ingediend door de Milieuvereniging Oosterhout, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. O. de Savornin Lohman, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton    w.g. Soede

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2004

270-445.