Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR4285

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-10-2004
Datum publicatie
20-10-2004
Zaaknummer
200407085/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juli 2004 heeft verweerder aan verzoekster ingevolge het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer (verder: het Besluit) nadere eisen gesteld ten aanzien van de inrichting van verzoekster gelegen aan de [locatie] te Aalsmeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200407085/2.

Datum uitspraak: 14 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2004 heeft verweerder aan verzoekster ingevolge het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer (verder: het Besluit) nadere eisen gesteld ten aanzien van de inrichting van verzoekster gelegen aan de [locatie] te Aalsmeer.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 25 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2004, beroep ingesteld.

Bij brief van 27 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 30 augustus 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 september 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. H.H. Luigies, advocaat te Rotterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. ing. Y. Klaver, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is/zijn [partij A], [partij B] en [partij C] daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Verzoekster voert aan dat de nadere eisen haar voor grote problemen bij de bedrijfsvoering stellen. Zij stelt hierbij dat nadere eis 1.1 het laden en lossen op de gehele zondag en op de overige dagen tussen 19.00 en 07.00 uur verbiedt. Zij stelt dat het daadwerkelijke laden en lossen in dockshelters plaatsvindt die op zodanig ruime afstand van woningen zijn gelegen dat het absoluut uitgesloten is dat deze activiteiten bij die woningen waarneembaar zijn. Het wegrijden van de voertuigen dat volgens het Besluit ook onder laden en lossen valt vindt tussen 07.00 en 19.00 uur plaats. Nu in voorschrift 1.1.1. geen uitzondering voor de zondag wordt gemaakt valt volgens haar niet in te zien waarom het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau voor de dagperiode niet ook voor de zondag als grenswaarde kan dienen. Tevens voert verzoekster aan dat haar bedrijfsvoering het noodzakelijk maakt dat zij incidenteel in de avond- en nachtperiode en op zondag vrachtwagenbewegingen moet kunnen uitvoeren. Zij is van mening dat hiervoor een ontheffing in de nadere eis had moeten worden opgenomen.

2.2.1.    Verweerder voert aan dat uit akoestisch onderzoek blijkt dat in de huidige situatie in de avond- en nacht periode niet kan worden voldaan aan de grenswaarde voor het piekniveau vanwege het komende en vertrekkende vrachtverkeer. Het aanbrengen van een hoger geluidscherm is op basis van het bestemmingsplan niet mogelijk.

2.2.2.    De Voorzitter overweegt dat het verzoek voorzover betrekking hebbend op het niet in de nadere eis opnemen van een ontheffing voor incidentele vrachtwagenbewegingen in de avond- en nachtperiode niet ziet op het bestreden besluit en reeds om die reden niet voor honorering in aanmerking kan komen.

   De Voorzitter overweegt verder dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat in de huidige situatie in de avond- en nacht periode niet kan worden voldaan aan de grenswaarde voor het piekniveau vanwege het komende en vertrekkende vrachtverkeer. Gelet hierop is de Voorzitter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in de avond- en nachtperiode geen vrachtwagenbewegingen mogen plaatsvinden. In zoverre dient het verzoek derhalve te worden afgewezen.

   Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt eveneens dat het daadwerkelijke laden en lossen van de vrachtwagens in de zogenoemde dockshelters wel aan de geluidgrenswaarden kan voldoen. De nadere eis komt derhalve voor schorsing in aanmerking voorzover daarbij ook het daadwerkelijk laden en lossen voor de avond- en nachtperiode is verboden.

   In het bestreden besluit wordt niet gemotiveerd waarom het laden en lossen en de daarbij behorende vervoersbewegingen op de zondag wordt verboden. Gelet hierop komt het bestreden besluit ook in zoverre voor schorsing in aanmerking.

2.3.    Verzoekster voert aan dat de in nadere eis 1.4 opgenomen verboden gedragingen als gevolg van de afstand en de afschermende werking van de dockshelters niet bij woningen van derden waarneembaar zullen zijn. De nadere eis is naar haar mening dan ook overbodig.

2.3.1.    De Voorzitter overweegt dat uit hetgeen verzoekster aanvoert aannemelijk is geworden dat de in nadere eis 1.4 opgenomen verboden gedragingen als gevolg van de afstand en de afschermende werking van de dockshelters niet bij woningen van derden waarneembaar zullen zijn. Gelet hierop acht de Voorzitter het aannemelijk dat deze nadere eis bij de behandeling van de bodemzaak geen stand zal kunnen houden. In zoverre komt het verzoek derhalve voor inwilliging in aanmerking.

2.4.    Met de in nadere eis 1.3 voorgeschreven automatische registratie van vrachtwagenbewegingen kan volgens verzoekster geen onderscheid gemaakt worden tussen bij de inrichting behorende vrachtwagens en vrachtwagens die per abuis het bedrijfsterrein oprijden. Volgens haar komen regelmatig verdwaalde voertuigen bij haar het terrein oprijden.

2.4.1.    Verweerder stelt dat ook verdwaalde vrachtwagens aan de inrichting toe te rekenen geluidhinder veroorzaken.

2.4.2.    De Voorzitter overweegt dat de mogelijkheid dat verdwaalde vrachtvoertuigen op het bedrijfsterrein van de inrichting van verzoekster terecht komen voor rekening van verzoekster moet worden gelaten. In hetgeen verzoekster heeft aangevoerd noch anderszins ziet de Voorzitter aanleiding voor het standpunt dat verweerder nadere eis 1.3 niet in redelijkheid heeft kunnen opleggen. Het verzoek treft in zoverre derhalve geen doel.

2.5.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer van 13 juli 2004, voorzover het de nadere eis 1.4 betreft en voorzover in nadere eis 1.1 het daadwerkelijk laden en lossen voor de avond- en nachtperiode is verboden en het laden en lossen en de daarbij behorende vervoersbewegingen op de zondag wordt verboden;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Aalsmeer te worden betaald aan verzoekster;

III.    gelast dat de gemeente Aalsmeer aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 273,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Melse

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2004

315.