Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2004:AR4272

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-10-2004
Datum publicatie
20-10-2004
Zaaknummer
200405766/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juni 2004, kenmerk 2003/12302, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan verzoekster sub 1 een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor inrichting voor de op- en overslag en de bewerking van afvalstoffen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 1 juli 2004 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2004/396
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200405766/2.

Datum uitspraak: 13 oktober 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1.    [verzoekster sub 1], gevestigd te [plaats],

2.    [verzoeker sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [verzoeker sub 3], wonend te [woonplaats],

4.    [verzoekster sub 4], wonend te [woonplaats],

5.    [verzoekster sub 5], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2004, kenmerk 2003/12302, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan verzoekster sub 1 een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor inrichting voor de op- en overslag en de bewerking van afvalstoffen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 1 juli 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben onder meer verzoekster sub 1 bij brief van 4 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, verzoeker sub 2 bij brief van 10 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, verzoeker sub 3 bij brief van 10 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 11 augustus 2004, verzoekster sub 4 bij brief van 11 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, en verzoekster sub 5 bij brief van 8 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 10 augustus 2004, beroep ingesteld. Verzoekster sub 4 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 12 augustus 2004. Verzoekster sub 5 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 19 augustus 2004.

Bij brief van 4 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, heeft verzoekster sub 1 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 10 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 11 augustus 2004, heeft verzoeker sub 2 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 10 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 11 augustus 2004, heeft verzoeker sub 3 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 11 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, heeft verzoekster sub 4 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft verzoekster sub 5 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 27 september 2004, waar verzoekster sub 1, vertegenwoordigd door ing. H.H.C. Neelen, M.M.H. Dritty en [gemachtigde], verzoeker sub 2 in persoon en bijgestaan door mr. H.C. Borgers, advocaat te Breda, verzoeker sub 3, vertegenwoordigd door mr. J. Schepers, advocaat te Maastricht, verzoekster sub 4 in persoon en bijgestaan door mr. J. Schepers, advocaat te Maastricht, en verzoekster sub 5 in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.J.A.G. Werkhoven en ing. F.H.E.M. Spronk, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Verweerder heeft gesteld dat verzoeksters sub 4 en 5 niet binnen de beroepstermijn gemotiveerde beroepschriften hebben ingediend. Subsidiair stelt verweerder dat niet alle door verzoeksters sub 4 en 5 aangevoerde beroepsgronden een grondslag in de bedenkingen hebben.

2.2.1.    Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht moet het beroepschrift ten minste de gronden van het beroep bevatten.

   In artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, dit niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

   Uit deze bepalingen volgt dat het indienen van een beroepschrift op nader aan te voeren gronden niet is uitgesloten.

2.2.2.    Verzoeksters sub 4 en 5 zijn door de Afdeling tot 9 september 2004 respectievelijk tot 7 september 2004 in de gelegenheid gesteld de gronden van hun beroepschriften aan te voeren. Verzoeksters sub 4 en 5 hebben binnen de door de Afdeling gestelde termijnen van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Voorts stelt de Voorzitter vast dat het merendeel van de door verzoeksters sub 4 en 5 aangevoerde gronden zijn grondslag heeft in de bedenkingen, zodat het beroep in zoverre ontvankelijk is.

   Nu gezien het voorgaande geen aanleiding bestaat te verwachten dat de beroepen van verzoeksters sub 4 en 5 in het geding in de bodemprocedure (geheel) niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, bestaat er in zoverre geen reden om de verzoeken om voorlopige voorziening van deze verzoeksters af te wijzen.

2.3.    Verzoekers sub 2, 3 en 4 stellen dat een milieueffectrapport had moeten worden opgesteld dan wel de mer-beoordelingsprocedure, als bedoeld in artikel 7.8a tot en met 7.8d van de Wet milieubeheer, had moeten worden gevolgd. Verzoeker sub 2 vreest dat bepaalde afvalstoffen zodanig lang in de inrichting aanwezig zullen zijn, dat het brengen van die afvalstoffen in de inrichting moet worden aangemerkt als storten van gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in categorie 18.2 van onderdeel C respectievelijk 18.3, in het geval genoemd onder 3 van onderdeel D van de Bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit mer). Deze categorieën hebben, voor zover hier van belang, betrekking op de oprichting van een inrichting bestemd voor het storten van gevaarlijke afvalstoffen danwel de wijziging of uitbreiding van een inrichting bestemd voor de verwijdering van gestorte afvalstoffen in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een capaciteit van 100 ton per dag of meer.

   De Voorzitter overweegt dat het storten van afvalstoffen binnen de inrichting niet is aangevraagd. De enkele vrees van verzoeker sub 2 dat binnen de inrichting toch afvalstoffen zullen worden gestort roept geen verplichting in het leven tot het opstellen van een milieueffectrapport of het volgen van een mer-beoordelingsprocedure. Ook overigens vallen de aangevraagde activiteiten niet onder de categorieën van de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit mer. Hieruit volgt dat geen milieueffectrapport behoefde te worden opgesteld en dat een mer-beoordelingsprocedure niet behoefde te worden gevolgd.

2.4.    Verzoekster sub 4 voert aan dat er onvoldoende coördinatie heeft plaatsgevonden tussen de procedure tot verlening van de milieuvergunning en die tot verlening van voor de inrichting benodigde bouwvergunningen.

   De Voorzitter overweegt dienaangaande dat in de Wet milieubeheer niet is bepaald dat de vergunning moet worden geweigerd indien de vereiste bouwvergunning ontbreekt. Verder is in de Wet milieubeheer niet bepaald dat de bouwvergunning en de milieuvergunning inhoudelijk op elkaar moeten worden afgestemd. Wel is in artikel 8.5, eerste lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 5.3 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer een regeling neergelegd voor het verstrekken van een afschrift van de aanvraag voor een bouwvergunning in gevallen waarin het oprichten of veranderen van een inrichting tevens is aan te merken als bouwen in de zin van de Woningwet. Met die regeling is niet in strijd gehandeld, aangezien nog geen aanvraag voor een bouwvergunning is ingediend.

2.5.    Verzoekers sub 2, 3, 4 en 5 menen dat verweerder de vergunning niet had mogen verlenen wegens de onaanvaardbare gevolgen voor het milieu. In dat kader wordt onder meer betoogd dat verweerder ten onrechte niet aan de Habitatrichtlijn heeft getoetst. Naar hun mening heeft verweerder er onvoldoende rekening mee gehouden dat de inrichting grenst aan de Worm en dat een deel van het nabijgelegen Wormdal op een lijst is opgenomen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn. Ter zitting hebben zij betoogd dat door verwaaiing van stof en door lozingen op de Worm waardoor de stroomsnelheid toeneemt en de wallen afbrokkelen, het natuurgebied wordt aangetast.

2.5.1.    Verweerder heeft geoordeeld dat toetsing aan de Habitatrichtlijn niet aan de orde is, aangezien het een bestaande inrichting betreft waarvoor geen procedures op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening noodzakelijk zijn. Verweerder wijst erop dat in het kader van een recent verrichte bodemsanering een inventarisatie is uitgevoerd naar beschermde dier- en plantensoorten in de omgeving van de inrichting. Voor de sanering is op 26 februari 2003 een ontheffing krachtens artikel 75 van de Flora- en faunawet verleend.

2.5.2.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206; hierna: Habitatrichtlijn), voorzover hier van belang, stellen de lidstaten een lijst van gebieden op waarop staat aangegeven welke van bepaalde typen habitats en soorten in die gebieden voorkomen. De lijst moet binnen drie jaar na kennisgeving van de richtlijn aan de Commissie worden toegezonden. Het tweede lid, eerste alinea, bepaalt dat de Commissie een ontwerplijst van gebieden van communautair belang uitwerkt. De derde alinea van dit artikellid bepaalt dat de Commissie volgens de procedure van artikel 21 een lijst van gebieden van communautair belang vaststelt. Ingevolge het derde lid dient dit te geschieden binnen zes jaar na kennisgeving van de richtlijn. Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat de lidstaten gebieden van communautair belang zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes jaar, aanwijzen als speciale beschermingszone. Ingevolge het vijfde lid van dit artikel gelden voor een gebied de bepalingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, zodra het gebied op de in het tweede lid, derde alinea, bedoelde lijst is geplaatst.

2.5.3.    De inrichting wordt aan de oostzijde begrensd door het dal van de Worm, die ter plaatse de grens tussen Nederland en de Bondsrepubliek Duitsland vormt. Onbestreden is dat het Wormdal aan Duitse zijde op een lijst is opgenomen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn (hierna: het aangemelde gebied). Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was de communautaire lijst als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Habitatrichtlijn nog niet vastgesteld, zodat de bepalingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn nog niet golden.

   Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 11 juli 2001, in zaak nr. 200004042/1 (M&R 2002/3, 39) brengt het beginsel van de gemeenschapstrouw (artikel 10 van het EG-Verdrag) mee dat de lidstaten en hun organen zich in een geval als dit gedurende de termijn tussen de inzending van een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn en de vaststelling van de lijst door de commissie, dienen te onthouden van activiteiten die het bereiken van het door de richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar kunnen brengen.

   Verweerder heeft gemeend dat aan de bepalingen van de Habitatrichtlijn niet behoefde te worden getoetst, omdat het om een bestaande inrichting op een bestaande locatie gaat. Hij geeft er in het bestreden besluit geen blijk van zich te hebben vergewist van de aard van het aangemelde gebied en de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied. Verweerder is in het bestreden besluit dan ook niet gemotiveerd ingegaan op de door verzoekers gestelde effecten van de voorgenomen vergunningverlening voor (de instandhoudingsdoelstelling van) het aangemelde gebied. In zoverre ontbreekt onderzoek naar, en een deugdelijke motivering omtrent, het al dan niet bestaan van significante effecten voor het aangemelde gebied die het bereiken van het door de richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar kunnen brengen.

   Gelet hierop houdt de Voorzitter er rekening mee dat het bestreden besluit onder de huidige motivering bij de behandeling van het beroep niet in stand zal kunnen blijven. Nu ook ter zitting niet voldoende duidelijk is geworden dat geen significante gevolgen zullen optreden, ziet de Voorzitter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst. De bespreking van de overige gronden van verzoekers sub 2, 3, 4 en 5 kan achterwege blijven.

   Nu het bestreden besluit in zijn geheel wordt geschorst, bestaat geen spoedeisend belang bij een beoordeling van de aan de vergunning verbonden voorschriften over het stellen van financiële zekerheid. De Voorzitter ziet daarom aanleiding het verzoek van verzoekster sub 1, dat betrekking heeft op die voorschriften, af te wijzen.

2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. In de proceskostenveroordeling komt tot uitdrukking dat verzoekers sub 3 en 4 zich ter zitting hebben laten bijstaan door dezelfde rechtsbijstandsverlener.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 15 juni 2004, kenmerk 2003/12302;

II.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg in de door verzoekers sub 2, 3, 4 en 5 in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00 voor verzoeker sub 2, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, tot een bedrag van € 622,05 voor verzoeker sub 3, waarvan een gedeelte groot € 483,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, tot een bedrag van € 300,05 voor verzoeker sub 4, waarvan een gedeelte groot € 161,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en tot een bedrag van € 41,71 voor verzoeker sub 5; de bedragen dienen door de provincie Limburg te worden betaald aan verzoekers sub 2, 3, 4 en 5;

III.    gelast dat de provincie Limburg aan verzoekers sub 2, 3, 4 en 5 het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht (€ 136,00 voor elk van de verzoekers) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Heijerman

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2004

255-441.